Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4277

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/10/715828 / JE RK 26-420
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • L.L.H. Roebroek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2016 en 2018, die in een gezinshuis verblijven. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, is niet verschenen, maar werd correct opgeroepen. Tijdens de zitting sprak de kinderrechter met een van de minderjarigen.

De moeder vertoont positieve ontwikkelingen door medicatie en medewerking aan een hulpverleningstraject, maar heeft een verstandelijke beperking en psychische problematiek die het contact met de kinderen bemoeilijken. De bezoeken verlopen wisselend en er is weinig gedeeld plezier. De moeder heeft moeite met het begrijpen en toepassen van adviezen en toont onvoorspelbaar gedrag.

De kinderrechter constateert dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen niet kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder is niet zelfstandig in staat de bedreiging af te wenden en accepteert hulp wisselend. Daarom is verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk. De verlenging wordt toegekend voor de duur van een jaar, zodat lopende hulpverleningstrajecten kunnen worden afgerond en passend vervolg kan worden bepaald.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/715828 / JE RK 26-420
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een ondertoezichtstelling en een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteland],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteland],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. L.A. Middelkoop, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 3 maart 2026, ontvangen op 3 maart 2026;
  • de brief met bijlage van de GI van 6 maart 2026, ontvangen op 6 maart 2026;
  • de brief met bijlage van de GI van 10 maart 2026, ontvangen op 11 maart 2026;
  • de brief met bijlage van de GI van 13 maart 2026, ontvangen op 16 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [naam 1] en [naam 2].
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een gezinshuis.
2.3.
Bij beschikking van 4 april 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 4 april 2026 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 april 2025 tot 4 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het verzoek ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing verduidelijkt in die zin dat de GI verzoekt om een machtiging uithuisplaatsing voor de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinshuis van Ihub, een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Het verzoek is als volgt toegelicht.
Het afgelopen jaar heeft de moeder een positieve ontwikkeling laten zien. Door depotmedicatie is de moeder stabieler. Zij komt op tijd naar alle bezoeken. De moeder werkt mee aan het traject bij NIKA. Uit de tussentijdse rapportage van het onderzoek door NIKA blijkt dat tijdens de bezoeken korte momentjes van gedeeld plezier te zien zijn. De verstandelijke beperking en de verwardheid bij de moeder zijn van invloed op het verloop van de bezoeken. De moeder heeft moeite om aan te sluiten bij de leefwereld van de kinderen en zij laat onvoorspelbaar gedrag zien tijdens de bezoeken. De moeder heeft geen inzicht in haar eigen beperkingen. Er is geen gesprek met haar mogelijk over de tips en adviezen van de jeugdbeschermer. De moeder heeft moeite deze te begrijpen en om deze toe te passen. De moeder heeft moeite om stil te staan bij en na te denken over wat zij doet en om problemen te (h)erkennen. Daarom moet de jeugdbeschermer nog steeds de regie tijdens de bezoeken nemen. Het resterende deel van het verslag van het NIKA-onderzoek volgt in april 2026. De samenwerking met de moeder is goed, maar deze leidt niet tot het gewenste resultaat, namelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een fijn en ontspannen contact hebben met de moeder, aangepast aan hun belang en behoeften.
De komende periode moet het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duidelijk worden. Het NIKA-traject moet uitwijzen welke hulpverlening kan worden ingezet om de bezoeken beter te laten verlopen. Na afronding van het NIKA-traject zal de jeugdbeschermer een besluit nemen over het perspectief van de kinderen. Daarin zullen ook de uitkomsten van het psychodiagnostisch onderzoek van Youz worden betrokken: dan zal duidelijk worden wat de opvoedvragen van de kinderen zijn.
4.2.
Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting primair verzocht om het verzoek van de GI af te wijzen. Subsidiair is verzocht de verlenging van ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot de duur van zes maanden. Ter onderbouwing hiervan is het volgende aangevoerd.
De moeder is liefdevol naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Binnen haar mogelijkheden doet de moeder alles voor hen. De moeder komt alle afspraken rond de bezoeken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na en werkt mee aan het NIKA-traject. De moeder accepteert vrijwillig de begeleiding van Antes en de depotmedicatie. Zij heeft meer psychische stabiliteit bereikt. Het is de diepste wens van de moeder dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar worden teruggeplaatst. Duidelijk moet worden wat de oorzaak is van de weerstand bij de moeder en waarom zij niet kan profiteren van de hulpverlening. In het kader van het hulpverleningstraject van de jongere zoon van de moeder is er ook zicht op [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Er is voor haar zoon geen kinderbeschermingsmaatregel.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig wordt bedreigd. Zij zijn in een zorgelijke opvoedsituatie bij de moeder opgegroeid. Zo zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] slachtoffer geweest van kindermishandeling en zijn zij getuigen geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. De moeder heeft een verstandelijke beperking, psychische problematiek en psychotische kenmerken. Momenteel woont de moeder bij Zorg voor Elkaar met ambulante begeleiding.
5.3.
Vanwege de zorgen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meerdere keren uit huis geplaatst en hebben zij op verschillende plekken verbleven. Sinds 9 juni 2025 verblijven zij in een perspectief biedend gezinshuis van IHub pleegzorg. De bezoeken tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de moeder verlopen wisselend. De moeder doet haar best en komt alle bezoeken na. De wens van de moeder om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar terug te plaatsen is begrijpelijk. De moeder heeft echter moeite om op een passende manier op de emoties van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te reageren, zoals door de GI tijdens de zitting is toegelicht. Daarbij houdt de kinderrechter ook rekening met de voorlopige bevindingen in het verslag van 13 maart 2026 naar aanleiding van het NIKA-traject. Tijdens dit traject is geconstateerd dat er in het algemeen weinig interactie over en weer is tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat er tussen hen slechts enkele korte momenten van gedeeld plezier zichtbaar zijn. Gezien wordt dat de moeder niet in staat is om op een invoelende en passende wijze aan te sluiten bij de emotionele behoeften van haar kinderen.
5.4.
Gelet op al het voorgaande kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder is immers nog niet zelfstandig in staat om de bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te wenden. Ook is de moeder wisselend in het accepteren van hulpverlening. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig.
5.5.
Ook is gelet op al het voorgaande de verlenging van de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het gezinshuis en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.6.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en gezien de toelichting van de GI ter zitting de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de door de GI verzochte duur van een jaar. Daarbij houdt de kinderrechter er rekening mee dat er tijd nodig is om het NIKA-traject af te ronden en voor het traject bij Youz dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan volgen, waarbij een psychodiagnostisch onderzoek bij hen zal worden afgenomen om te bezien wat zij nodig hebben. Na afronding van deze trajecten zal duidelijk worden welke hulpverlening en ondersteuning voor de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] passend is en ingezet kan worden, ook om het verloop van de bezoeken tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verbeteren
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 4 april 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 4 april 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door
mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 8 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.