Verzoeker heeft op 16 februari 2026 een tweede verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening (moratorium) ex artikel 287b Faillissementswet, gericht op het verbod tot ontruiming van zijn woonruimte. Dit verzoek volgt op een eerder toegewezen moratorium van zes maanden dat op 18 juni 2025 is uitgesproken.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke termijn van zes maanden voor een moratorium is verstreken en dat de wet geen mogelijkheid biedt tot verlenging. Verzoeker heeft te maken gehad met inkomstendaling en werkt als ondernemer, maar de situatie verbetert en de huurbetalingen worden inmiddels voldaan, mede dankzij een voorschot op een PW-uitkering.
Verweerster betoogt dat verzoeker al een laatste kans heeft gehad met het eerdere moratorium. De rechtbank oordeelt dat het tweede verzoek daarom moet worden afgewezen. Tevens verklaart de rechtbank het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw niet-ontvankelijk, mede omdat het minnelijk traject nog in een beginstadium verkeert. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.
De beslissing is dat het moratoriumverzoek wordt afgewezen en het schuldsaneringsverzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard.