Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4289

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2603951:R-RK en NL:TZ:2603952:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tweede moratoriumverzoek en niet-ontvankelijkheid schuldsaneringsverzoek

Verzoeker heeft op 16 februari 2026 een tweede verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening (moratorium) ex artikel 287b Faillissementswet, gericht op het verbod tot ontruiming van zijn woonruimte. Dit verzoek volgt op een eerder toegewezen moratorium van zes maanden dat op 18 juni 2025 is uitgesproken.

De rechtbank stelt vast dat de wettelijke termijn van zes maanden voor een moratorium is verstreken en dat de wet geen mogelijkheid biedt tot verlenging. Verzoeker heeft te maken gehad met inkomstendaling en werkt als ondernemer, maar de situatie verbetert en de huurbetalingen worden inmiddels voldaan, mede dankzij een voorschot op een PW-uitkering.

Verweerster betoogt dat verzoeker al een laatste kans heeft gehad met het eerdere moratorium. De rechtbank oordeelt dat het tweede verzoek daarom moet worden afgewezen. Tevens verklaart de rechtbank het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw niet-ontvankelijk, mede omdat het minnelijk traject nog in een beginstadium verkeert. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.

De beslissing is dat het moratoriumverzoek wordt afgewezen en het schuldsaneringsverzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst het tweede moratoriumverzoek af en verklaart het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraak van 26 maart 2026
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 16 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 17 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 maart 2026.
Ter zitting van 19 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [persoon A] , huisgenoot van verzoeker;
  • mevrouw [persoon B] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw [persoon C] , namens Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft te maken gehad met inkomstendaling, waardoor hij de huur niet meer kon voldoen. Hij werkt als ondernemer en heeft daarin een tijd tegenslagen gehad. Inmiddels trekt het werk weer aan, zodat verzoeker met goede moed aan het werk kan. Verzoeker kreeg bij zijn bedrijf hulp van zijn huisgenoot. Inmiddels heeft zij een PW-uitkering aangevraagd. De PW-uitkering is nog niet daadwerkelijk toegekend, maar er is wel al een voorschot toegekend. De huur van april 2026 is daarmee verzekerd. Zodra de PW-uitkering is toegekend, dan kunnen ook de huurtermijnen vanaf mei 2026 worden voldaan. Verder is, naast de huur van februari 2026, de huur van maart 2026 inmiddels ook betaald.

3.Het verweer

Verweerster stelt dat er al een eerder moratoriumverzoek is toegewezen. Verzoeker heeft daarom al een laatste kans gehad. Dit tweede verzoek dient daarom te worden afgewezen.

4.De beoordeling

Vast is komen te staan dat verzoeker eerder een verzoekschrift ex artikel 284 Fw Pro, met een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw heeft ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad (‘moratorium’). Op 18 juni 2025 is dit verzoek voor de duur van zes maanden toegewezen. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is in datzelfde vonnis niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft nu opnieuw verzocht een moratorium toe te wijzen voor de duur van zes maanden. Dit verzoek ziet op de ontruiming van dezelfde huurwoning en heeft wederom betrekking op hetzelfde ontruimingsvonnis van 27 maart 2025. Artikel 287b lid 5 Fw bepaalt echter dat de desbetreffende voorlopige voorziening wordt uitgesproken voor de duur van maximaal zes maanden. Door het eerder afgekondigde moratorium is deze periode inmiddels verstreken. De wet voorziet niet in een mogelijkheid om een moratorium voor meer dan zes maanden uit te spreken.
Gezien het bovenstaande wijst de rechtbank het verzoek om een moratorium af.
De rechtbank stelt ook vast dat het minnelijk traject nog in de beginstadium zit en naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond. Verzoeker zal gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.