Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4299

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/4644
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 PwArt. 35 PwArt. 49 PwArt. 4:84 AwbArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand studiekosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Eiser heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor studiekosten in de vorm van een schuld aan Capabel Onderwijs Groep B.V. Het college wees de aanvraag af op grond van artikel 13 Pw Pro, omdat bijstand werd gevraagd voor schuldaflossing zonder zeer dringende redenen. Na bezwaar handhaafde het college de afwijzing, maar wijzigde de motivering en beoordeelde de aanvraag inhoudelijk aan de hand van artikel 35 Pw Pro.

De rechtbank oordeelt dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat de studiekosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Hoewel eiser geen inkomen had, had hij volgens het college redelijkerwijs middelen kunnen aanwenden, zoals het aanvragen van algemene bijstand voor levensonderhoud, wat eiser niet heeft gedaan. Hierdoor zijn de kosten niet onvermijdelijk ontstaan.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege een onjuiste grondslag en onvoldoende motivering, maar laat de rechtsgevolgen van de afwijzing in stand. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de afwijzing van de bijzondere bijstand blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4644

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. El Idrissi),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. Z. Abachi).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor studiekosten in de vorm van een schuld aan Capabel Onderwijs Groep B.V. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag heeft kunnen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Nu het college de afwijzing van de aanvraag op een andere grond heeft gebaseerd dan in het bestreden besluit, is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor studiekosten. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 25 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en haar collega mr. C.W. de Jong.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen te onderzoeken in hoeverre eiser beschikt(e) over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw. Het college heeft bij brief van 10 februari 2026 de uitkomst van dit onderzoek ingezonden. Eiser heeft hierop bij brief van 25 februari 2026 gereageerd.
2.4.
Nu geen van de partijen heeft aangegeven om op een nadere zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 9 december 2024 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor studiekosten in de vorm van een schuld aan Capabel Onderwijs Groep B.V. Hij heeft gesteld dat gezien zijn medische klachten het voor hem onmogelijk was om zijn opleiding te voltooien. Capabel Onderwijs Groep B.V. heeft vervolgens de studiekosten verlaagd en een bedrag van € 1.194,42 gevorderd. Hierbij is door eiser een verzoek tot betaling van GGN Mastering Credit B.V. overgelegd. Met het primaire besluit van 25 februari 2025 is de aanvraag van eiser afgewezen.
3.1.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar, onder wijziging van de motivering, ongegrond verklaard. Het college baseert dit op de grond dat sprake is van de uitsluitingsgrond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw nu bijstand wordt gevraagd ter aflossing van een schuld en er geen zeer dringende redenen zijn als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de Pw.
Het standpunt van eiser
4. Eiser betoogt dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen, omdat hij tijdens het volgen van zijn opleiding geen inkomen had en nog steeds niet heeft. Eiser betoogt dat sprake is van dringende redenen zoals bedoeld in artikel 49, onder b, van de Pw. Het college heeft geen rekening gehouden met eisers persoonlijke situatie. Eiser betoogt dat er geen correcte belangenafweging heeft plaatsgevonden, zodat de nadelige gevolgen van de beslissing onevenredig zwaar wegen in verhouding tot het met de beslissing te dienen doel. Tot slot betoogt eiser dat, gezien de aangehaalde persoonlijke omstandigheden, het college ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het oordeel van de rechtbank
5. Met de brief van 10 februari 2026 heeft het college de grondslag van het bestreden besluit van 4 juni 2025 gewijzigd en de aanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld en deze afgewezen. Aan de afwijzing is nu ten grondslag gelegd dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw. Uit nader onderzoek van het college en de aanvullende stukken van eiser blijkt dat eiser ten tijde van het ontstaan van de schuldenlast, alsmede in de periode daarna, geen middelen had om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Derhalve kon het college artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw niet aan eiser tegenwerpen en heeft het college de aanvraag alsnog volledig inhoudelijk getoetst aan artikel 35 van Pro de Pw.
6. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid.
7. Niet in geschil is dat de kosten zich voordoen en dat zij noodzakelijk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht nader op het standpunt gesteld dat, ondanks het ontbreken van inkomen, niet is voldaan aan het vereiste dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 35 van Pro de Pw.
8. Uit het nader onderzoek van het college is gebleken dat bij een eerdere aanvraag van eiser van 31 juli 2024 om bijzondere bijstand voor advocaatkosten, eiser reeds door het college is geïnformeerd over de mogelijkheid om een aanvraag om bijstand voor levensonderhoud in te dienen. Artikel 35 van Pro de Pw biedt slechts ruimte voor bijstandsverlening indien sprake is van noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en die niet kunnen worden voldaan uit de middelen van eiser. Daarbij mag worden betrokken dat eiser redelijkerwijs had kunnen beschikken over middelen. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om hiervoor een aanvraag in te dienen. Niet is gebleken dat eiser het advies van het college met betrekking tot de aanvraag om bijstand voor levensonderhoud heeft opgevolgd. Hierdoor heeft eiser zijn inkomenssituatie niet tijdig gestabiliseerd, waardoor de gestelde kosten zijn ontstaan. Nu eiser geen algemene bijstand heeft aangevraagd terwijl dat wel mogelijk was, kan niet automatisch worden gesteld dat hij geen middelen had. Het niet aanvragen van algemene bijstand maakt dat de kosten niet onvermijdelijk zijn ontstaan, en dat er dus geen sprake is van bijzondere omstandigheden. In het geval eiser het advies van het college om bijstand voor levensonderhoud aan te vragen had opgevolgd, had eiser de schuld kunnen aflossen en/of een aflossingsregeling kunnen treffen met de schuldeiser.
9. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de kosten onvermijdelijk voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, zodat niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 35 van Pro de Pw.
10. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand, vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 35 van Pro de Pw, terecht afgewezen.
11. Het bestreden besluit rustte op een onjuiste grondslag. Reeds daarom is het beroep gegrond en wordt het bestreden beluit vernietigd op de grond dat het tot stand is gekomen in strijd met het in artikel 3:2 van Pro de Awb neergelegde zorgvuldigheidsvereiste en het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste van een deugdelijke motivering. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, nu uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand, zij het op een andere grond, terecht is gehandhaafd.

Conclusie en gevolgen

12. De aanvraag van eiser is terecht afgewezen, De rechtbank ziet hierin aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
14. Daarnaast veroordeelt de rechtbank het college in de door eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (één punt voor het indienen van een beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.