Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4334

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/10/716861 / JE RK 26-546
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling van minderjarige wegens zorgen over ontwikkeling en veiligheid

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2025, vanwege zorgen over haar ontwikkeling en veiligheid. Er waren signalen van huiselijk geweld tussen de ouders, psychische problemen en mogelijk middelengebruik bij de moeder. De ouders waren terughoudend in contact met hulpverleners, waardoor vrijwillige hulpverlening niet van de grond kwam.

De kinderrechter hield op 31 maart 2026 een zitting met gesloten deuren, waarbij de ouders, hun advocaten, een vertegenwoordiger van de Raad en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond aanwezig waren. De vader en moeder voerden verweer tegen het verzoek en stelden dat de situatie niet onveilig was en dat zij wilden meewerken aan vrijwillige hulpverlening.

De kinderrechter oordeelde dat de spoedbeschikking van 20 maart 2026 tot voorlopige ondertoezichtstelling op juiste gronden was verleend. Gezien de acute en ernstige zorgen, het ontbreken van voldoende zicht op de thuissituatie en het niet slagen van vrijwillige hulpverlening, werd de ondertoezichtstelling gehandhaafd. De GI krijgt de opdracht om zicht te krijgen op de thuissituatie en hulpverlening in te zetten. De ouders moeten hun medewerking verlenen.

Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na de uitspraak of betekening.

Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt gehandhaafd vanwege ernstige zorgen over haar veiligheid en ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716861 / JE RK 26-546
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige]
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.G. Jagesar, kantoorhoudende in Den Haag,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 20 maart 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het uitstelverzoek van de moeder van 27 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat, mr. A. Hayaty die waarneemt voor mr. Jagesar;
  • de moeder (via een digitale videoverbinding);
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige]
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 maart 2026 [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 maart 2026 tot 20 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Hierop heeft de kinderrechter al beslist. De betrokkenen dienen nog te worden gehoord.
3.2. De Raad handhaaft op de zitting het verzoek. Er zijn zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [voornaam minderjarige] Er zijn signalen dat de moeder psychische problemen heeft, depressief is en lachgas gebruikt. Ook zijn er meldingen van huiselijk geweld tussen de ouders. Het is lastig om zicht te krijgen op de situatie, omdat de ouders terughoudend zijn in contact. De Raad wil de komende periode gebruiken om meer duidelijkheid te krijgen. Daarna kan worden bekeken of hulp in het vrijwillig kader mogelijk is.

4.De standpunten

4.1.
De GI sluit zich op de zitting aan bij het verzoek. Eerder is geprobeerd om hulp in het vrijwillig kader te starten, maar dat lukte niet. Afspraken gingen niet door en de ouders wilden geen gesprekken of huisbezoeken. Ook na de voorlopige ondertoezichtstelling is er nog geen contact geweest. De GI wil nu alsnog hulp starten om zicht te krijgen op hoe het met [voornaam minderjarige] gaat en hoe de situatie thuis is. Daarbij wordt gedacht aan inzet van ambulante spoedhulp (ASH).
4.2.
Door en namens de vader wordt op de zitting verweer gevoerd tegen het verzoek. De ouders hebben een relatie en zorgen samen goed voor [voornaam minderjarige] De ouders vonden het bedreigend dat hulpverleners bij hen thuis wilden komen. De vader wilde eerst juridisch advies voordat hij met hulpverleners sprak. Daarom heeft hij hen niet binnengelaten. [voornaam minderjarige] bevindt zich niet in een onveilige situatie. De ouders willen meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Daarom is een ondertoezichtstelling een te zware maatregel.
4.3.
De moeder voert ook verweer tegen het verzoek. Het welzijn van [voornaam minderjarige] staat altijd voorop. Door eerdere ervaringen heeft de moeder minder vertrouwen gekregen in instanties. Zij heeft een afspraak gemist, maar wil alsnog meewerken in het vrijwillig kader. Daarnaast zijn de meldingen in het raadsrapport afkomstig van personen die geen goed beeld hebben van de situatie. De moeder verblijft momenteel met [voornaam minderjarige] in Marokko vanwege een ziek familielid.

5. De beoordeling

5.1.
Op basis van de overgelegde stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de spoedbeslissing op 20 maart 2026 op juiste gronden is verleend. De kinderrechter laat de voorlopige ondertoezichtstelling dan ook in stand. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de zitting blijkt dat er acute en ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] Zij is nog erg jong. Er zijn meerdere meldingen gedaan van huiselijk geweld tussen de ouders, ook door de moeder zelf. Ook zijn er zorgen over psychische problemen en mogelijk middelengebruik bij de moeder en het is onduidelijk of de moeder gebruik maakt van de doorverwijzing naar Antes. Daarnaast is er onvoldoende zicht op de thuissituatie, omdat contact met de ouders moeizaam verloopt. De ouders zeggen dat zij openstaan voor hulpverlening in het vrijwillig kader, maar deze hulp is niet van de grond gekomen. Ook tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling is er nog geen contact geweest. Daardoor is nog onduidelijk hoe het met [voornaam minderjarige] gaat. Omdat [voornaam minderjarige] volledig afhankelijk is van haar verzorgers en de zorgen groot zijn, acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de GI zicht dient te krijgen op de thuissituatie en de nodige hulpverlening moet kunnen inzetten. Tot op heden is gebleken dat de ouders niet direct open staan voor contact met de jeugdbescherming of met hulpverleners, waardoor het vrijwillig kader ontoereikend is.
5.3.
Daarom ziet de kinderrechter geen reden om de voorlopige ondertoezichtstelling te beëindigen. In de komende periode moet worden gekeken of de situatie verbetert en of het inzetten van hulpverlening vrijwillig kan. Het is belangrijk dat de ouders hun volledige medewerking verlenen en openheid van zaken geven.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
houdt de spoedbeschikking van 20 maart 2026 in stand.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 14 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.