De veroordeelde werd in 2020 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar en 10 maanden. Op 29 januari 2023 werd hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd die zou aflopen op 23 april 2026.
De officier van justitie verzocht op 9 maart 2026 om verlenging van de proeftijd met twee jaar, onderbouwd met een rapport van de reclassering. De reclassering adviseerde verlenging omdat de bijzondere voorwaarde om de veroordeelde naar een beschermde woonvorm te begeleiden nog niet was gerealiseerd en het risico op recidive gemiddeld werd ingeschat.
Tijdens de terechtzitting op 25 maart 2026 werden de officier van justitie, de veroordeelde, zijn raadsman en een reclasseringsdeskundige gehoord. De veroordeelde wilde geen verlenging, maar gaf aan zelfstandig te willen wonen met begeleiding op afstand. De deskundige lichtte toe dat er sinds september 2024 gezocht wordt naar een passende woonvorm, maar dat plaatsing nog niet is gerealiseerd.
De rechtbank oordeelde dat verlenging noodzakelijk en proportioneel is vanwege het risico op middelengebruik en delictgedrag zonder passende begeleiding. De proeftijd wordt daarom met één jaar verlengd, met het oog op het geplande intakegesprek en de verwachting dat binnen dat jaar een beschermde woonvorm gevonden kan worden.