Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4393

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
C/10/715442 / HA RK 26-159
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in familierechtelijke zaken

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechters die betrokken zijn bij meerdere civiele familierechtelijke zaken waarin de Raad voor de Kinderbescherming en de moeder van het kind verzoeken hebben ingediend tegen verzoeker. Verzoeker stelde dat de rechters niet onpartijdig zouden zijn vanwege eerdere betrokkenheid bij een procedure, het niet honoreren van een aanhoudingsverzoek, het ontbreken van ontvangstbevestiging en zaaknummer, het ontbreken van toegang tot het digitale dossier en een vermeende schuldtoewijzing door de rechters.

De rechtbank oordeelde dat de eerdere betrokkenheid van de rechters in lijn is met het professionele uitgangspunt 'één gezin, één rechter' en dat er geen aanwijzingen zijn voor partijdigheid. Het niet honoreren van het aanhoudingsverzoek was niet onbegrijpelijk en niet ingegeven door vooringenomenheid. Ontvangst van het verweerschrift was bevestigd en het ontbreken van een zaaknummer is een administratieve aangelegenheid. Verzoeker had fysieke toegang tot de processtukken en kon het digitale dossier op verzoek inzien. De vermeende schuldtoewijzing was een feitelijke constatering en geen grond voor wraking.

De wrakingskamer concludeerde dat geen van de aangevoerde gronden slaagt en wees het verzoek af. Tevens werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker alleen met bijstand van een advocaat in behandeling worden genomen, vanwege lichtzinnige wrakingsgronden en herhaald gebruik van het wrakingsmiddel.

De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam op 1 april 2026 en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen en toekomstige wrakingsverzoeken mogen alleen met advocaat worden ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/715442 / HA RK 26-159
Beslissing van 1 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mrs. D.I. Hendriks-van Wel,
A.C. Siemonsen
K. Chocolaad-de Bos,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechters in de civiele zaken met nummers C/10/691399, C/10/702700 en C/10/712497. Daarin heeft de Raad voor de Kinderbescherming om beëindiging van het ouderlijk gezag van verzoeker en ondertoezichtstelling van het kind van verzoeker verzocht en heeft de moeder van het kind verzocht om het eenhoofdig gezag aan haar toe te kennen, de hoofdverblijfplaats van het kind te wijzigen en de omgangs- en zorgregeling aan verzoeker te ontzeggen. De dossiers van deze zaken zijn ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker van 24 februari 2026, met bijlagen;
- de schriftelijke reactie van de rechters van 25 februari 2026;
- de brief van verzoeker van 26 februari 2026 met een aanvulling op het wrakingsverzoek, met bijlagen;
- de e-mail van verzoeker van 26 februari 2026 om 13:03 uur, met bijlagen;
- de e-mail van verzoeker van 26 februari 2026 om 15:11 uur, met bijlagen.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling zijn verzoeker en mr. A.C. Siemons verschenen. Mrs. D.I. Hendriks-van Wel en K. Chocolaad-de Bos hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Verzoeker heeft op 23 februari 2026 om aanhouding verzocht van de zitting die op 26 februari 2026 gepland stond. Dit verzoek is door de rechters afgewezen. De rechters hebben eerder twee aanhoudingsverzoeken van de Raad voor de Kinderbescherming wel gehonoreerd. Volgens verzoeker kan hieruit worden afgeleid dat de rechters in deze zaak niet onpartijdig zijn. De rechters zijn daarnaast vorig jaar ook al betrokken geweest bij een procedure tussen verzoeker en de Raad voor de Kinderbescherming. Verzoeker heeft er daarom weinig vertrouwen in dat de rechters de onderhavige zaken onbevooroordeeld zullen behandelen. Verzoeker heeft ook geen ontvangstbevestiging gehad van het verweerschrift met (tegen)verzoeken dat hij op 19 februari 2026 heeft ingediend. Er is aan de verzoeken van verzoeker ook geen zaaknummer toegekend. Verzoeker meent dat ook dit aanwijzingen zijn dat er sprake is van vooringenomenheid aan de zijde van de rechters. Verzoeker heeft daarnaast geen toegang gekregen tot het digitale dossier. Hij kan daardoor niet controleren of hij alle stukken wel heeft ontvangen. Verzoeker kan zich daarom niet goed voorbereiden op de zitting. De vooringenomenheid van de rechters blijkt volgens verzoeker tot slot ook uit de schriftelijke reactie van de rechters. Daarin wordt volgens verzoeker de schuld van de eerdere aanhoudingen en de lange looptijd van de procedure door de rechters bij verzoeker neergelegd. Verzoeker heeft er al met al geen vertrouwen in dat de rechters de zaak eerlijk en onpartijdig zullen behandelen.
2.2.
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
De omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechters door hun persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig zijn. Er moet daarom worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid – objectief – gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.
3.2.
De klachten van verzoeker vallen in wezen uiteen in vijf wrakingsgronden. De wrakingskamer bespreekt deze gronden hierna afzonderlijk.
Wrakingsgrond 1: de rechters zijn vorig jaar betrokken geweest bij een procedure van verzoeker
3.3.
Verzoeker heeft onder meer aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechters betrokken zijn geweest bij een zaak die vorig jaar tussen verzoeker en de Raad voor de Kinderbescherming heeft plaatsgevonden, waarbij de rechters bij beschikking van 8 april 2025 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om het ouderlijk gezag van verzoeker te schorsen, hebben toegewezen. De wrakingskamer stelt voorop dat op grond van de professionele standaard die in familierechtelijke zaken doorgaans wordt gehanteerd het uitgangspunt geldt ‘één gezin, één rechter’. De omstandigheid dat de rechters eerder betrokken zijn geweest bij de procedure tussen verzoeker en de Raad voor de Kinderbescherming, is in lijn met dit uitgangspunt. Het is verder niet gebleken dat de rechters uitlatingen hebben gedaan waaruit de vrees voor partijdigheid zou kunnen worden afgeleid. Daarbij moet ook in ogenschouw worden genomen dat de rechters met de beschikking van 8 april 2025 alleen een voorlopig oordeel hebben gegeven over de situatie en geen definitieve beslissing hebben genomen. Met de beschikking van 8 april 2025 hebben de rechters beide ouders – en niet alleen verzoeker – in de uitoefening van het ouderlijk gezag geschorst, wat ook niet wijst op vooringenomenheid van de rechters jegens verzoeker. Hetgeen door verzoeker op dit punt is aangevoerd, kan daarom niet tot wraking leiden.
Wrakingsgrond 2: het niet honoreren van het aanhoudingsverzoek van verzoeker
3.4.
Verzoeker heeft verder aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechters zijn verzoek om aanhouding van de zitting van 26 februari 2026 niet hebben gehonoreerd, terwijl hij daar vanwege de viering van Ramadan Mubarak niet bij aanwezig kon zijn en de rechters twee eerdere aanhoudingsverzoeken van de Raad voor de Kinderbescherming wel hebben gehonoreerd. De rechters hebben in dit verband verklaard dat de eerdere aanhoudingsverzoeken van de Raad voor de Kinderbescherming gehonoreerd zijn omdat het onderzoeksrapport van de Raad voor de Kinderbescherming destijds nog niet klaar was en behandeling van de zaak op een zitting op dat moment daarom nog niet zinvol zou zijn. Volgens de rechters is het verzoek om aanhouding van verzoeker niet gehonoreerd omdat verder uitstel in deze zaak, gelet op de belangen die daarin spelen, onwenselijk is en de reden die verzoeker aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, namelijk het feit dat het op dat moment Ramadan Mubarak was, voor verzoeker voorzienbaar was en derhalve niet op het laatste moment nog tot een aanhouding kon leiden.
3.5.
Vooropgesteld wordt dat het niet aan de wrakingskamer is om de procedurele beslissing van de rechters tot het wel of niet aanhouden van de zaak inhoudelijk te toetsen. Wraking kan namelijk niet fungeren als rechtsmiddel tegen (onwelgevallige) processuele beslissingen. Dat kan anders zijn indien – de motivering van – de beslissing zozeer onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.
3.6.
De beslissing van de rechters om het aanhoudingsverzoek van verzoeker niet te honoreren, is naar het oordeel van de wrakingskamer niet onbegrijpelijk. De viering van Ramadan Mubarak was voor verzoeker voorzienbaar en voor verzoeker heeft de mogelijkheid bestaan om deze datum als verhindering op te geven toen daar op een eerder moment in de procedure door de rechters om werd gevraagd. Daaruit kan niet de vrees voor vooringenomenheid worden afgeleid. De wrakingskamer acht het wrakingsverzoek op dit punt dan ook ongegrond. Dat het niet honoreren van het aanhoudingsverzoek van verzoeker tot de situatie zou leiden dat de zitting dan zonder hem zou plaatsvinden, zoals verzoeker tijdens de zitting heeft betoogd, kan evenmin grond voor wraking opleveren. Dat het verzoek tot aanhouding niet werd gehonoreerd, betekent dat verzoeker geen geldige reden heeft opgegeven om afwezig te zijn bij de geplande zitting. Indien verzoeker desondanks afwezig zou zijn geweest, dan kwam dat voor zijn eigen risico. Dit is geen omstandigheid die tot wraking van de rechters kan leiden.
Wrakingsgrond 3: het ontbreken van een ontvangstbevestiging en zaaknummer voor de tegenverzoeken
3.7.
Verzoeker heeft verder als grondslag voor zijn wrakingsverzoek aangevoerd dat de rechters de ontvangst van zijn verweerschrift en de daarin opgenomen verzoeken niet hebben bevestigd en dat aan de verzoeken geen zaaknummer is toegekend. Ook deze wrakingsgrond slaagt niet. Uit het dossier valt namelijk af te leiden dat de ontvangst van het verweerschrift van verzoeker en de daarin opgenomen verzoeken bij e-mail van 24 februari 2026 door de administratie van de afdeling familierecht aan verzoeker is bevestigd. Daarbij is aan verzoeker bericht dat zijn verzoeken op de zitting van 26 februari 2026 behandeld zullen worden. Hetgeen verzoeker op dit punt heeft aangevoerd, is dus feitelijk onjuist gebleken. Het toekennen van een zaaknummer aan een verzoek is een interne administratieve handeling die losstaat van de vraag of de tegenverzoeken in behandeling worden genomen, zo is ter zitting door mr. Siemons uitgelegd. Het ontbreken van een zaaknummer kan daarom geen grond voor wraking vormen.
Wrakingsgrond 4: het ontbreken van toegang tot het digitale dossier
3.8.
Verzoeker heeft verder nog aangevoerd dat hij voorafgaand aan de geplande zitting van 26 februari 2026 geen toegang had tot het digitale dossier van de zaak. Verzoeker heeft tijdens de zitting erkend dat hij de processtukken fysiek heeft ontvangen en dat hij alleen wilde controleren of er niet op het laatste moment nog iets aan het dossier was toegevoegd.
3.9.
Aan verzoeker zijn de processtukken fysiek toegestuurd en aan hem is voorafgaand aan de geplande zitting van 26 februari 2026 medegedeeld dat hij bij de administratie een verzoek kan indienen om het digitale dossier in te zien. De wrakingskamer ziet in deze gang van zaken geen aanwijzingen om tot het oordeel te komen dat er sprake is van de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Het wrakingsverzoek is daarom ook op dit punt ongegrond.
Wrakingsgrond 5: de suggestie van de rechters dat het eerder aanhouden van de zaak aan de schuld van verzoeker te wijten is
3.10.
De schriftelijke reactie van de rechters is voor verzoeker aanleiding geweest om nog een grond aan zijn wrakingsverzoek toe te voegen. Volgens verzoeker blijkt uit de schriftelijke reactie van de rechters namelijk dat de rechters hem de schuld geven van het feit dat de zaak tweemaal eerder is aangehouden.
3.11.
De rechters hebben in hun schriftelijke reactie het volgende geschreven:
“Er is inderdaad een eerder aanhoudingsverzoek van de Raad gehonoreerd. Op dat moment was het raadsrapport nog niet gereed. Hier had de heer [verzoeker] overigens een rol in, doordat hij meermaals klachten had ingediend bij de Raad waardoor het onderzoek telkens stagneerde.”Hoewel deze uitlating voor verzoeker wellicht ongelukkig geformuleerd is, is met deze uitlating objectief bezien sprake geweest van een feitelijke constatering ten aanzien van het verloop van de procedure. Daaruit kan dan ook niet een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid worden afgeleid. Ook deze wrakingsgrond slaagt derhalve niet.
Het wrakingsverzoek wordt afgewezen
3.12.
Uit het voorgaande volgt dat geen van de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden slaagt. Het door hem ingediende wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.
Verzoeker mag alleen nog met bijstand van een advocaat een wrakingsverzoek indienen
3.13.
Tijdens de zitting heeft mr. Siemons namens de rechters verzocht om het recht van verzoeker om in de onderhavige zaken opnieuw een wrakingsverzoek in te dienen, te beperken. De wrakingskamer ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Het wrakingsverzoek van verzoeker bevat namelijk een aantal lichtzinnig genomen wrakingsgronden die voor een advocaat – en in het algemeen een juridisch professional – geen grond zouden hebben gevormd om te wraken. Daarbij blijkt uit de administratie van de wrakingskamer dat verzoeker in eerdere procedures bij de afdeling familierecht al meerdere, lichtzinnig genomen, wrakingsverzoeken heeft gedaan. Hoewel de wrakingskamer aanleiding ziet om te oordelen dat verzoeker het middel van wraking te lichtzinnig inzet en daarvan aldus misbruik maakt, acht de wrakingskamer een geheel verbod in dit stadium nog te vergaand gelet op het feit dat verzoeker niet wordt bijgestaan door een advocaat. De wrakingskamer zal daarom aan toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker in deze zaken de eis verbinden dat hij deze enkel nog met bijstand van een advocaat mag indienen.

4.De beslissing

De rechtbank:
1.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
1.2.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaken alleen in behandeling zal worden genomen wanneer hij deze met bijstand van een advocaat indient.
Deze beslissing is gegeven door mrs. P.C. Santema, voorzitter, mrs. W.J. de Veld en G.C. Bos, rechters. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door de oudste rechter in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. D. Meijer, griffier, en door hen ondertekend.
de griffier de oudste rechter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.