Verzoeker heeft op 16 maart 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 11 juni 2024 en stond gepland voor 19 maart 2026.
De rechtbank constateert dat sprake is van een bedreigende situatie, nu de ontruiming dreigt plaats te vinden. Verzoeker heeft sinds december 2025 een Participatiewet-uitkering en heeft de huurtermijnen van februari en maart 2026, zij het te laat, betaald. Tevens is budgetbeheer opgestart om toekomstige huurbetalingen te waarborgen.
Verweerster, de verhuurder, stemt onder voorwaarden in met het verzoek, mits de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan en budgetbeheer wordt toegepast. De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en schuldhulpverlening wil doorlopen, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
De voorziening wordt voor zes maanden toegewezen met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden betaald. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.
De rechtbank bepaalt dat schuldhulpverlening uiterlijk twee weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt over de voortgang.