Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4401

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/1272
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3.4.3. van de VerordeningArtikel 3.4.5. van de VerordeningArtikel 3.4.6. van de VerordeningArtikel 3.1.7. van de Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring bij problematische scheiding

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring bij het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel, welke is afgewezen omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden van de urgentiegronden woonlasten en geweld/bedreiging. Verzoeker bevindt zich in een problematische situatie door een (v)echtscheiding en huisverbod, maar dit is niet uitzonderlijk ten opzichte van andere woningzoekenden.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld en geoordeeld dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring. Zo heeft hij geen zelfstandige woonruimte en is er geen schriftelijke verklaring van de politie die ernstig geweld bevestigt. Dakloosheid is geen zelfstandige urgentiegrond volgens de Verordening.

Verzoeker deed tevens een beroep op de hardheidsclausule, stellende dat zijn situatie in zijn geheel moet worden beoordeeld. De rechtbank volgt het college dat er geen sprake is van bijzondere en onvoorziene omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, waardoor verzoeker geen voorrang krijgt bij woningtoewijzing. De uitspraak is voorlopig en bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1272

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Krimpen aan den IJssel, verzoeker

(gemachtigde: mr. S.N. Nasrullah),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan den IJssel
(gemachtigde: [naam 1]).

Samenvatting

Het college heeft verzoekers aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden van één van de urgentiegronden. Verzoeker bevindt zich in een zeer vervelende situatie, maar hij verschilt hierin niet van andere mensen die vanwege een problematische (v)echtscheiding niet meer met een ex-partner in één woning kunnen wonen. Er is dan ook geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Procesverloop

1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 januari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Met het bestreden besluit van 10 maart 2026 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de neef van verzoeker ([naam 2]). Het college heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
4. Verzoeker woonde met zijn toenmalige partner en hun kinderen in een huurwoning aan de [adres]. Verzoekers partner heeft in april 2025 aangifte gedaan bij de politie van eenvoudige mishandeling (huiselijk geweld) door verzoeker. Naar aanleiding hiervan en hangende het onderzoek heeft verzoeker eerst een huisverbod opgelegd gekregen en daarna een gebieds- en contactverbod. Hij is sindsdien niet meer teruggekeerd naar zijn woning en heeft ook geen contact meer opgenomen met zijn ex-partner en hun kinderen. Hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats meer.
5. De politierechter heeft verzoeker op 7 juli 2025 vrijgesproken van eenvoudige mishandeling. Verzoeker heeft in oktober 2025 aangifte gedaan bij de politie van het doen van een valse aangifte door zijn ex-partner.
Waar gaat het in deze zaak om?
6. Verzoeker heeft op 14 juli 2025 een urgentieverklaring aangevraagd op de urgentiegrond ‘woonlasten’. Daarnaast heeft verzoeker een toelichting gegeven die ziet op de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’ en is er sprake van dakloosheid.
Het college heeft de aanvraag afgewezen. Volgens het college voldoet verzoeker niet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring.
Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij voorlopig met voorrang kan reageren op woningen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Waarom beslist de voorzieningenrechter niet op het beroep?
8. De voorzieningenrechter heeft de mogelijkheid om ook onmiddellijk uitspraak te doen in de beroepszaak. Het college heeft het bestreden besluit echter kort (9 dagen) voor de zitting naar de rechtbank gestuurd en verzoeker heeft daags voor de zitting beroep ingesteld. Het college heeft nog niet gereageerd op de beroepsgronden en kon ook niet bij de zitting aanwezig zijn. De voorzieningenrechter ziet daarom af van haar bevoegdheid om ook in de beroepszaak uitspraak te doen.
Wanneer komt iemand in aanmerking voor een urgentieverklaring?
9. Er is in Rotterdam en omstreken schaarste aan sociale huurwoningen en er zijn veel mensen die met spoed op zoek zijn naar een (andere) woning. Die mensen kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een urgentieverklaring. Met een urgentieverklaring heeft iemand voorrang boven andere woningzoekenden. Dat betekent dat iemand met een urgentieverklaring meer kans maakt op een bepaald type woning dan andere woningzoekenden, mits de woning aan de voorwaarden van de urgentieverklaring voldoet. Omdat woningen schaars zijn, zijn de voorwaarden voor een urgentieverklaring streng:
als een woningzoekende voorrang krijgt, betekent dat immers dat anderen langer moeten wachten. De voorwaarden voor het verkrijgen van een urgentieverklaring van het college staan in de Verordening Woonruimtebemiddeling Krimpen aan den IJssel 2025 (Verordening).
Voldoet verzoeker aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring?
10.1.
Om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring op de grond ‘woonlasten’, moet verzoeker op dit moment een zelfstandige woonruimte bewonen en moeten zijn woonlasten onevenredig zijn in relatie tot zijn inkomen. [1] Verzoeker heeft echter zijn woning in Krimpen aan den IJssel verlaten en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats meer. Verzoeker voldoet daarom in beginsel niet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring op de grond ‘woonlasten’.
10.2.
Om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring op de grond ‘geweld en bedreiging’, moet er onder meer sprake zijn van ernstig psychisch of fysiek geweld of bedreiging daarmee, en moet uit een schriftelijke verklaring van de politie blijken dat verzoeker om die redenen niet meer in de woning kan verblijven. [2] Van een dergelijke situatie is echter niet gebleken. Verzoeker voldoet daarom in beginsel niet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring op de grond ‘bedreiging en geweld’.
10.3.
Verzoeker voert aan dat hij dakloos is. Dit is echter geen zelfstandige urgentiegrond in de Verordening. Alleen mensen die vanwege dakloosheid of huiselijk geweld in de opvang verblijven en deze opvang verlaten, kunnen in aanmerking komen voor een urgentieverklaring op de grond ‘uitstroom naar zelfstandig wonen. [3] Deze situatie is echter niet op verzoeker van toepassing.
Hardheidsclausule
11. Verzoeker doet verder nog een beroep op de hardheidsclausule. [4] Volgens verzoeker moet zijn situatie in zijn geheel worden beoordeeld en niet in losse urgentiegronden. Verzoeker heeft zijn woning op aanraden van diverse instanties verlaten om de situatie met zijn ex-partner niet (verder) te laten escaleren. Dit heeft er wel toe geleid dat verzoeker geen vaste verblijfplaats meer heeft en zijn kinderen al geruime tijd niet meer heeft gezien.
Het huurcontract van de woning stond op zijn naam en hij betaalde ook de huur van de woning. Zijn ex-partner heeft hem zonder zijn medeweten uitgeschreven en het huurcontract overgenomen. Zijn familie heeft geprobeerd om contact op te nemen met zijn ex-partner om te komen tot een oplossing voor wat betreft het contact met de kinderen. De ex-partner heeft vervolgens de politie gebeld. Verzoeker vindt dat zijn persoonlijke situatie aanleiding zou moeten zijn om de hardheidsclausule toe te passen.
12. Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat verzoeker in een ongewenste situatie verkeert en hierdoor in zijn gezinsleven wordt beperkt.
Het college vindt echter dat er geen sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel. Als er geen sprake is van ernstig geweld, dan zal de onenigheid binnen de relatie hebben geleid tot het verbreken van de relatie. Dit is volgens het college echter geen aanleiding om een urgentieverklaring te verlenen.
13. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college. Verzoeker bevindt zich in een zeer vervelende situatie, maar hij verschilt hierin niet van andere mensen die vanwege een problematische (v)echtscheiding niet meer met een ex-partner in één woning kunnen wonen. Er is dan ook geen sprake van bijzondere en onvoorziene omstandigheden, waarmee bij het vaststellen van de Verordening geen rekening mee is gehouden.
De voorzieningenrechter verwacht daarom dat het bestreden besluit in beroep gehandhaafd zal blijven.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker niet met voorrang kan reageren op woningen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
de griffier is verhinderdom de uitspraak te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 3.4.5. van de Verordening
2.Artikel 3.4.6. van de Verordening
3.Artikel 3.4.3. van de Verordening
4.Artikel 3.1.7. van de Verordening