Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4428

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/1233
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening leerlingenvervoer afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor leerlingenvervoer voor haar zoon voor de periode van 1 september 2025 tot en met 31 januari 2026. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft deze aanvraag toegewezen in de vorm van een abonnement voor het openbaar vervoer met een begeleider. Verzoekster was het hier niet mee eens en stelde beroep in, waarna zij een voorlopige voorziening vroeg.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig voldoen van het griffierecht. Verzoekster stelde verzet in en vroeg opnieuw een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 18 maart 2026 werd besproken dat het verzoek niet voldoet aan het materiële connexiteitsvereiste omdat het betrekking heeft op een inmiddels afgesloten periode.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek niet-ontvankelijk is en dat er geen inhoudelijke beoordeling plaatsvindt. Tevens werd gewezen op de mogelijkheid om een nieuw verzoek in te dienen voor de nieuwe aanvraag vanaf 1 februari 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen aan het materiële connexiteitsvereiste.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1233
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. A. Hielkema).

Inleiding

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor leerlingenvervoer voor haar zoon [naam 1]. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 augustus 2025 voor de periode 1 september 2025 tot en met 31 januari 2026 toegewezen in de vorm van een abonnement voor het openbaar vervoer voor [naam 1] en een begeleider. Met het bestreden besluit van 26 november 2025 op het bezwaar van verzoekster is het college bij deze toekenning gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Bij uitspraak van 12 februari 2026 heeft de rechtbank het beroep van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zij het griffierecht niet tijdig had voldaan. Tegen deze uitspraak heeft verzoekster verzet ingesteld.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van het college en [naam 2] namens het college.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster is het niet eens met de door het college verstrekte vervoersvoorziening, onder andere omdat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de reistijd van [naam 1] naar zijn school. Verzoekster verzoekt daarom de voorlopige voorziening te treffen dat aan [naam 1] een vervoersvoorziening in de vorm van taxivervoer wordt toegekend.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
3. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Op de zitting is gesproken over de vereisten van connexiteit (formeel en materieel) bij een verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster voldoet niet aan het materiële connexiteitsvereiste. Verzoekster wil bereiken dat aan [naam 1] aangepast vervoer (taxivervoer) wordt toegekend. De verzetprocedure heeft echter betrekking op een periode die al is afgesloten, namelijk de periode 1 september 2025 tot en met 31 januari 2026. Op de zitting is besproken dat het college inmiddels een afwijzend besluit heeft genomen over een nieuwe aanvraag van verzoekster over de periode vanaf 1 februari 2026 en dat verzoekster hiertegen bezwaar heeft gemaakt. Verzoekster kan, als zij dat wil, een nieuw verzoek om voorlopige voorziening indienen dat betrekking heeft op dit nieuwe afwijzende besluit.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5. De voorzieningenrechter heeft partijen erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026 door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.