Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4429

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/1463
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring wegens onvoldoende spoedeisend belang

Verzoekster heeft een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, welke op 16 januari 2026 is afgewezen wegens het ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

Op 18 maart 2026 vond een mondelinge behandeling plaats waarbij verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college aanwezig waren. Verzoekster stelde dat haar chronische medische problemen onvoldoende in acht waren genomen en dat het medisch advies van 17 maart 2026 niet zorgvuldig en consistent tot stand was gekomen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er onvoldoende spoedeisend belang was voor het treffen van een voorlopige maatregel. Er waren geen objectieve medische aanwijzingen dat verzoekster met onmiddellijke ingang niet meer in haar woning kon blijven wonen. Tevens leidt het toekennen van een urgentieverklaring niet direct tot een andere woning, waardoor het verzoek niet als voorlopige maatregel passend is.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af en gaf aan dat bezwaren tegen het medisch advies in de bezwaarprocedure kunnen worden behandeld. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot toekenning van een urgentieverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1463
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. G. Grijs),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. S.P.H. Fijneman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 16 januari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Met het bestreden besluit van 16 januari 2026 heeft het college de aanvraag van verzoekster voor een urgentieverklaring afgewezen omdat niet is gebleken dat sprake is van een urgent huisvestingsprobleem.
3. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Verzoekster heeft chronische medische problemen, waardoor zij op dit moment geen passende woongelegenheid heeft. Het college heeft onvoldoende onderzoek uitgevoerd. Er is alleen telefonisch contact geweest. Er is onvoldoende rekening gehouden met de medische situatie van verzoekster. Op de zitting heeft verzoekster aangevoerd dat het medisch advies van 17 maart 2026 onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende consistent is. Verzoekster heeft daarom verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat aan haar een urgentieverklaring wordt toegekend.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
4.1.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er onvoldoende spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige maatregel. De voorzieningenrechter ziet geen objectieve medische aanknopingspunten op basis waarvan moet worden aangenomen dat verzoekster met onmiddellijke ingang niet meer in haar woning – die is gelegen op de begane grond – kan blijven wonen. Daar komt bij dat het toekennen van een urgentieverklaring als voorlopige maatregel niet onmiddellijk leidt tot een andere woning. Goed mogelijk is dat de beslissing op bezwaar al genomen is voor het moment dat een woning zal zijn gevonden met een urgentieverklaring. Verder merkt de voorzieningenrechter op dat het toekennen van een urgentieverklaring in wezen geen voorlopige maatregel is. Het toewijzen van het verzoek ligt (ook) daarom niet voor de hand. Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat vooralsnog niet is gebleken dat het medisch advies van 17 maart 2026 niet zorgvuldig tot stand is gekomen. In de bezwaarprocedure kunnen eventuele bezwaren van verzoekster over het medisch advies aan de orde komen.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. De voorzieningenrechter heeft partijen erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026 door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.