Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4456

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1838 – FT RK 25/1839
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot dwangakkoord bij schuldenproblematiek met weigering schuldeiser

Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan drie concurrente schuldeisers, waarbij twee schuldeisers instemden en één schuldeiser, met een vordering van 54% van de totale schuldenlast, weigerde mee te werken. De regeling is gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoeker, die een Participatiewet-uitkering ontvangt en voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker sinds oktober 2025 een zelfstandige huurwoning met woonzorgcontract heeft, waardoor momenteel geen afloscapaciteit bestaat. Schuldhulpverlening verwacht niet dat de afloscapaciteit zal toenemen. De regeling voorziet in een prognosepercentage en is getoetst door een onafhankelijke partij. Verzoeker heeft geen nieuwe schulden laten ontstaan en zijn vaste lasten worden beheerd.

De rechtbank weegt het belang van de schuldeiser die weigert af te zien van volledige betaling af tegen het belang van verzoeker en de overige schuldeisers. Gezien de stabiele situatie van verzoeker, de instemming van de meerderheid van schuldeisers en de verwachting dat het akkoord een gunstiger resultaat oplevert dan een wettelijke schuldsaneringsregeling, wordt het verzoek toegewezen.

De schuldeiser wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil zijn begroot omdat er geen griffierecht is verschuldigd en verzoeker niet door een advocaat is bijgestaan. Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen. Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt toegewezen en schuldeiser wordt bevolen in te stemmen met schuldregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 19 februari 2026
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 9 oktober 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- [naam 1], wiens vordering in behandeling is bij EVA Gerechtsdeurwaarders en Incasso (hierna: [naam 1]);
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
De begeleidster van verzoeker heeft voorafgaand aan de zitting, op 30 januari 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Ter zitting van 12 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw D. Rodrigues, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • [naam 2], werkzaam bij het Leger des Heils (hierna: begeleidster).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift drie concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 15.322,55 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 22 mei 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 5,26% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn Participatiewet-uitkering. Verzoeker was voorheen dakloos en verbleef in de nachtopvang waardoor hij vanwege het ontbreken van woonkosten gekort werd op zijn Participatiewet-uitkering. Hierdoor was er sprake van afloscapaciteit. Ter zitting heeft verzoeker echter verklaard dat hij sinds oktober 2025 een zelfstandige huurwoning met woonzorgcontract toegewezen heeft gekregen. Door deze wijzigingen is er op dit moment geen sprake van afloscapaciteit.
Verzoeker is door het UWV voor minder 35% arbeidsongeschikt verklaard. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Ook na de bezwaarprocedure is gebleken dat hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Verzoeker heeft meegedeeld dat hij op korte termijn een afspraak heeft bij de gemeente om zijn arbeidsmogelijkheden te bespreken. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard niet te verwachten dat de afloscapaciteit komende jaren zal toenemen. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Twee schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [naam 1] stemt hier niet mee in. Hij heeft een vordering van € 8.276,49 op verzoeker, welke 54% van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [naam 1] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn standpunten ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [naam 1] bij zijn weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [naam 1] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [naam 1] een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 54%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk twee van de drie schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Het inkomen van verzoeker bestaat uit een Participatiewet-uitkering. Hij is voor minder dan 35% arbeidsongeschikt en zal op korte termijn een afspraak bij de gemeente hebben om zijn arbeidsmogelijkheden te bespreken. Gelet op de afstand die verzoeker heeft tot de arbeidsmarkt is voldoende aannemelijk geworden dat hij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker zit in budgetbeheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [naam 1], die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om [naam 1] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
[naam 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt [naam 1] om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt [naam 1] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.