ECLI:NL:RBROT:2026:446

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/10/691945 / HA ZA 25-1
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onteigening en schadeloosstelling in Rotterdam

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in een onteigeningsprocedure tussen de Gemeente Rotterdam en Urbi Investment 2 Sub B B.V. en 3B Exclusief B.V. De procedure betreft de vervroegde onteigening van onroerende zaken ten behoeve van de aanleg van de Verlegde Bosdreef in Rotterdam. De rechtbank heeft in een eerder tussenvonnis van 23 juli 2025 de onteigening uitgesproken van twee percelen grond, met een totale oppervlakte van 2.276 m², en heeft een voorschot op de schadeloosstelling voor Urbi vastgesteld op € 1.395.450,00. In de uitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank de schadeloosstelling voor Urbi vastgesteld op € 2.913.497,00, inclusief kosten van juridische bijstand en rente. De gemeente is veroordeeld om het resterende bedrag van € 1.518.047,00 aan Urbi te betalen, aangezien het voorschot al was voldaan. Voor 3B is de schadeloosstelling vastgesteld op nihil, omdat 3B heeft afgezien van aanspraken op schadeloosstelling door de gemeente. De rechtbank heeft ook de Staatscourant aangewezen als het nieuwsblad voor de publicatie van het vonnis, conform artikel 54 van de Onteigeningswet.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/691945 / HA ZA 25-1
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
de
GEMEENTE ROTTERDAM,
zetelend in Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. J.S. Procee te Den Haag,
tegen
URBI INVESTMENT 2 SUB B B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam,
en tegen
3B EXCLUSIEF B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
tussengekomen partij,
advocaat mr. J.W.M. Hagelaars te Arnhem.
Partijen worden hierna de gemeente, Urbi en 3B genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 23 juli 2025 (hierna: het tussenvonnis) en de daarin genoemde processtukken;
  • de cassatieverklaring van 3B van 1 augustus 2025;
  • het eenstemmige verzoek van partijen tot schorsing en aanhouding van de procedure in verband met het door 3B tegen het tussenvonnis ingestelde cassatieberoep;
  • de intrekking van het cassatieberoep door 3B op 27 november 2025;
  • het opnieuw opbrengen van de zaak op 3 december 2025;
  • de akte verzoek vaststelling schadeloosstelling van de gemeente op de rol van 24 december 2025;
  • de akte tot referte van Urbi op de rol van 24 december 2025;
  • de akte tot referte van 3B op de rol van 24 december 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank, voor zover van belang:
- ten behoeve van de uitvoering van de aanleg van de Verlegde Bosdreef met bijkomende werken in de gemeente Rotterdam, de vervroegde onteigening uitgesproken van een gedeelte van de onroerende zaak kadastraal bekend gemeente Rotterdam, grondplannummer [nummer X] , sectie [sectie] , nummer [perceelnummer 1] , met een te onteigenen oppervlakte van 2.054 m², kadastraal omschreven als “Bedrijvigheid (kantoor) en Terrein (industrie)” en van een gedeelte van de onroerende zaak kadastraal bekend gemeente Rotterdam, grondplannummer [nummer Y] , sectie [sectie] , nummer [perceelnummer 2] , met een te onteigenen oppervlakte van 222 m², kadastraal omschreven als “Bedrijvigheid (kantoor) en Terrein (teelt-kweek)” (hierna: de onroerende zaken), vrij van alle met betrekking tot de onroerende zaken bestaande lasten en rechten;
- het voorschot op de schadeloosstelling voor Urbi vastgesteld op € 1.395.450,00, met bepaling dat voor de voldoening geen zekerheid gesteld hoeft te worden;
- het voorschot op de schadeloosstelling voor 3B vastgesteld op nihil.
2.2.
De gemeente heeft met Urbi en 3B overeenstemming bereikt over de schadeloosstelling van Urbi en 3B.
2.3.
Gelet op de onder 2.2 bedoelde overeenstemming over de schadeloosstelling en omdat de rechtbank die overeenstemming niet onjuist voorkomt, zal de rechtbank de schadeloosstelling voor Urbi vaststellen op het overeengekomen bedrag van € 2.913.497,00 voor alle schaden en kosten, hoe ook genaamd. De kosten van juridische en andere deskundige bijstand van Urbi en rente zijn begrepen in dit bedrag.
2.4.
Omdat de gemeente het voorschot op de schadeloosstelling al aan Urbi heeft voldaan, zal de rechtbank overeenkomstig het verzoek van partijen bepalen dat de gemeente het resterende bedrag van € 1.518.047,00 aan Urbi vergoedt.
2.5.
Partijen zijn verder overeengekomen dat Urbi afrekent met 3B als haar huurder. Inhoudelijke vaststelling van die afrekening valt buiten deze onteigeningsprocedure. 3B ziet in deze procedure af van aanspraken op schadeloosstelling door de gemeente. De gemeente en 3B hebben de rechtbank daarom verzocht de schadeloosstelling vast te stellen op nihil. De rechtbank zal overeenkomstig dit verzoek beslissen.
2.6.
De gemeente heeft aangeboden om eventuele belastingschade die Urbi in het kader van deze onteigening lijdt aan Urbi te vergoeden. De gemeente en Urbi zijn in dit verband het volgende overeengekomen:
2.7.
De gemeente en Urbi hebben de rechtbank verzocht de gemeente te veroordelen om het onder 2.6 vermelde bijkomend aanbod gestand te doen. De rechtbank zal overeenkomstig dit verzoek beslissen.
2.8.
De gemeente heeft de rechtbank bericht dat zij de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen heeft voldaan. De rechtbankdeskundigen hebben desgevraagd aan de rechtbank bevestigd dat de gemeente hun kosten tot en met het uitbrengen van het conceptdeskundigenbericht heeft voldaan. Over deze kosten hoeft de rechtbank dus niet meer te beslissen.
2.9.
Ten slotte zal overeenkomstig artikel 54 van de Onteigeningswet zoals deze wet luidde tot 1 januari 2024 (hierna: Ow) een nieuwsblad worden aangewezen ter publicatie van dit vonnis.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
stelt het bedrag van de door de gemeente aan Urbi verschuldigde schadeloosstelling vast op € 2.913.497,00 en veroordeelt de gemeente om het verschil tussen deze schadeloosstelling en het reeds betaalde voorschot van € 1.395.450,00, dat is € 1.518.047,00, aan Urbi te betalen;
3.2.
stelt het bedrag van de door de gemeente aan 3B verschuldigde schadeloosstelling vast op nihil;
3.3.
veroordeelt de gemeente om het onder 2.6 bedoelde aanbod aan Urbi gestand te doen;
3.4.
wijst de Staatscourant aan als het nieuwsblad waarin overeenkomstig artikel 54 Ow de griffier van deze rechtbank een uittreksel van dit vonnis zal plaatsen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, mr. A.F.L. Geerdes en mr. P.D. Olden, rechters, in aanwezigheid van mr. M. Welter-Dekkers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
3268/3194/3669/676