Verzoekster heeft op 18 maart 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De rechtbank Rotterdam heeft op 3 april 2026 uitspraak gedaan na een zitting op 27 maart 2026.
De rechtbank constateert dat sprake is van een bedreigende situatie, omdat een vonnis tot ontruiming van 30 september 2025 en een exploot van 28 januari 2026 zijn overgelegd, waarin de ontruiming op 19 maart 2026 is aangekondigd. Verzoekster heeft een inkomen uit DUO en freelancewerk en heeft de huurtermijnen van december 2025 tot en met april 2026 voldaan. Tevens zal budgetbeheer worden opgestart.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. De rechtbank acht aannemelijk dat de lopende huurtermijnen betaald zullen worden en dat het schuldhulpverleningstraject binnen zes maanden kan worden afgerond.
De voorziening wordt onder voorwaarden toegewezen, waarbij de huurovereenkomst wordt verlengd en de ontruiming wordt opgeschort voor zes maanden. Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, maar kan later een nieuw verzoek indienen.