Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4467

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2504173:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 284 FaillissementswetArt. 295 FaillissementswetArt. 296 FaillissementswetArt. 310 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot toelating wettelijke schuldsaneringsregeling met verlengde duur

De rechtbank Rotterdam heeft op 9 maart 2026 het verzoek van de schuldenaar toegewezen om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De schuldenaar bevindt zich in een problematische schuldensituatie, met name door een hoge belastingschuld van €68.588 die is ontstaan tussen 2022 en 2025. Hoewel deze schuld niet te goeder trouw is ontstaan, heeft de rechtbank op grond van de hardheidsclausule besloten de toelating toch toe te staan.

De schuldenaar heeft zijn onderneming per 28 april 2025 beëindigd en is sindsdien in loondienst, daarnaast staat hij onder budgetbeheer. De rechtbank heeft vertrouwen in zijn saneringsgezinde houding en verwacht dat hij aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen. De duur van de regeling is vastgesteld op dertig maanden in plaats van de gebruikelijke achttien maanden vanwege de aard van de belastingschuld.

Er is geen eerdere ingangsdatum vastgesteld omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een eerdere start, onder meer vanwege het ontbreken van een correcte berekening van het vrij te laten bedrag (vtlb) en het feit dat de ex-partner van de schuldenaar op hetzelfde adres staat ingeschreven. De rechtbank benoemt een bewindvoerder en een rechter-commissaris die toezicht houden op de naleving van de regeling en het beheer van de boedel.

Indien de schuldenaar zich aan alle verplichtingen houdt, eindigt het traject met een schone lei, waardoor schuldeisers hun vorderingen niet meer kunnen verhalen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na de uitspraak.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toegewezen voor dertig maanden zonder eerdere ingangsdatum.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Rekestnummer: [nummer]
Vonnis van 9 maart 2026
op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam].
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 23 februari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoeker],
- de heer G. de Jong en mevrouw K. Ton, beiden schuldhulpverlener van Geldplein,
- [naam 1], tolk.

2.De beoordeling

De toelating
2.1.
[verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat de schuld aan de Belastingdienst, die is ontstaan in de periode 2022 tot en met 2025, niet te goeder trouw is ontstaan. Uit het overzicht van de Belastingdienst blijkt dat [verzoeker] schulden heeft laten ontstaan terzake inkomstenbelasting, motorrijtuigenbelasting, omzetbelasting, de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en te veel ontvangen kindgebonden budget en zorgtoeslag. De schuld aan de Belastingdienst bedraagt € 68.588,--. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij geld had gereserveerd voor de betaling van de verschuldigde belastingen in de periode dat hij werkzaam was als zelfstandig ondernemer, maar zijn ex-partner heeft het gespaarde geld uitgegeven aan andere zaken. Deze schuld is naar haar aard niet te goeder trouw ontstaan, althans onbetaald gelaten, en staat in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
2.3.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoeker] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan en/of onbetaald laten van deze schuld, onder controle heeft gekregen. [verzoeker] heeft zijn onderneming per 28 april 2025 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hij is thans werkzaam in loondienst. Daarnaast staat [verzoeker] sinds
26 augustus 2025 onder budgetbeheer bij Geldplein. Hij heeft ter zitting blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding. Hierdoor is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat [verzoeker] zijn verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.
2.4.
[verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.5.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
2.6.
De rechtbank ziet, zoals ter zitting ook met [verzoeker] is besproken, in hetgeen hiervoor in 2.2. en 2.3. is overwogen over de aard van de schuld aan de Belastingdienst aanleiding om op grond van artikel 349a, eerste lid, Faillissementswet (Fw) de duur van de schuldsaneringsregeling te stellen op dertig maanden in plaats van de gebruikelijke achttien maanden.
De ingangsdatum
2.7.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.8.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.9.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de ex-partner van [verzoeker] op hetzelfde adres staat ingeschreven. In de vtlb-berekening is geen rekening gehouden met de inwonende ex-partner waardoor haar inkomen niet is meegenomen in de berekening. Er zijn daarnaast ook geen onderliggende stukken van de vtlb-berekening overgelegd. De rechtbank kan dan ook niet controleren wat de daadwerkelijke afloscapaciteit zou zijn, of de vtlb-berekening correct is vastgesteld en of [verzoeker] voldoende conform vtlb heeft gespaard voor zijn (gezamenlijke) schuldeisers.
2.10.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw Pro). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw Pro). [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw Pro). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker].
3.6.
Als [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum]-1985 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
wonende te [adres], [postcode] [plaatsnaam].
aldaar voorheen handelend onder de naam [handelsnaam];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout
en tot bewindvoerder [naam 2],
gevestigd te [postadres]
;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 9 maart 2026 en de duur op dertig maanden en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
9 september 2028;
- draagt de bewindvoerder op de post van [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in samenwerking met
I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026. [1]