Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4496

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/10/676807 / HA ZA 24-291
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:109 BWArt. 6:163 BWArt. 6:170 BWVerordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I bis-Vo)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid onderaannemer voor brand door buiten werking stellen differentiaalbeveiliging op sleephopperzuiger

Eisers Orisant c.s. houden Werkina aansprakelijk voor schade door kortsluiting en brand in de elektrotechnische installatie van de sleephopperzuiger DC Orisant. Werkina was onderaannemer voor de elektrotechnische installatie en een werknemer had tijdens het bouwproces de relais van de differentiaalbeveiliging doorgelust, waardoor deze buiten werking werd gesteld en niet ongedaan is gemaakt.

De rechtbank onderzoekt of dit handelen onrechtmatig gevaarzettend was en of er causaal verband bestaat tussen het buiten werking stellen van de beveiliging en de brand. Partijen verschillen van mening over de werking en doel van de differentiaalbeveiliging, de kans op ongevallen en de mate van schuld. Werkina beroept zich op exoneratiebedingen en eigen schuld van de bemanning.

De rechtbank benoemt deskundigen om te adviseren over de werking van de differentiaalbeveiliging, de kans op ongevallen en de omvang van de schade. De rechtbank oordeelt voorlopig dat het doorlussen op zich niet onrechtmatig was, maar het nalaten dit ongedaan te maken mogelijk wel. De zaak wordt aangehouden voor nadere stukken en deskundigenrapporten, waarbij ook de schadeposten en matiging van aansprakelijkheid aan de orde komen.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan voor deskundigenonderzoek en nadere stukken over onrechtmatigheid, causaal verband en schade.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/676807 / HA ZA 24-291
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
1. de commanditaire vennootschap
DC ORISANT C.V.,
gevestigd te Goes,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DC ORISANT B.V.,
gevestigd te Goes,
3. de rechtspersoon naar Belgisch recht
DC INDUSTRIAL N.V.,
gevestigd te Brussel (België),
eiseressen,
advocaat mr. J. Smit te Rotterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WERKINA WERKENDAM B.V.,
gevestigd te Werkendam,
gedaagde,
advocaat mr. J.J. van de Velde te Rotterdam.
Eiseressen worden hierna DC Orisant C.V., DC Orisant B.V., DCI en (gezamenlijk) Orisant c.s. genoemd. Gedaagde wordt hierna Werkina genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Orisant c.s. houden Werkina aansprakelijk voor schade als gevolg van kortsluiting en (de daarop volgende) brand in de elektrotechnische installatie aan boord van de (relatief kort daarvoor opgeleverde) grind sleephopperzuiger “DC Orisant”. Werkina heeft als onderaannemer gewerkt aan de elektrotechnische installatie aan boord van dit schip.
1.2.
De centrale vraag in deze zaak is of sprake is van een aan Werkina toe te rekenen onrechtmatige daad en – in dat verband – of een werknemer van Werkina onrechtmatig gevaarzettend heeft gehandeld door de differentiaalbeveiliging in de elektrotechnische installatie tijdens het bouwproces buiten werking te stellen, zonder dit op een later moment ongedaan te maken.
1.3.
De rechtbank wil zich bij de beoordeling van de onrechtmatige gevaarzetting (wat betreft het criterium ‘kans op ongevallen’) en van het causaal verband door een of meerdere deskundigen laten voorlichten.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis in het incident van 4 juni 2025, inclusief de daarin genoemde processtukken;
  • de akte uitlaten producties van Werkina, met een productie;
  • de akte houdende reactie op akte uitlaten producties van Orisant c.s.
2.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Voor de leesbaarheid worden hierna de in het vonnis in incident opgenomen feiten in dit vonnis opnieuw weergegeven en, waar nodig, aangevuld.
de hoedanigheid van partijen en contractuele verhoudingen
3.2.
DC Orisant C.V. heeft het gebruiksrecht en de exploitatie verkregen van de grind sleephopperzuiger “DC Orisant” (hierna: het schip).
3.3.
DC Orisant B.V. is de beherende vennoot van de hiervoor genoemde commanditaire vennootschap.
3.4.
IHC Holland B.V. (hierna: IHC Holland) is de bouwer van het schip. Op 21 november 2016 hebben IHC Holland en IHC Finance (deze vennootschap heette destijds: Orisant Finance) het scheepsbouwcontract gesloten. In de considerans van het scheepsbouwcontract staat, voor zover relevant, het volgende:
(opmerking rechtbank: in het scheepsbouwcontract wordt IHC Finance/Orisant Finance aangeduid als ‘the Buyer’ en IHC Holland als ‘the Builder’)
“II. upon Delivery of the Vessel to the Buyer, the Buyer has the intention to bring the right of enjoyment and the right of use of the Vessel into a limited partnership to be established and named Orisant C.V. (“CV”);
III. CV will thereupon conclude a time charter party with DC Industrial N.V. for a period of 15 years
IV. (…) amongst others the following contracts have been or shall be entered into:
a. Agreement for the establishment of the limited partnership (“Limited Partnership Agreement”) between the Buyer and DC Orisant B.V.;”
3.5.
De hiervoor bedoelde “Limited Partnership Agreement” is op 11 mei 2017 gesloten tussen DC Orisant B.V. en IHC Finance met als titel “CV Overeenkomst DC Orisant C.V.”. Op grond van deze overeenkomst zijn DC Orisant B.V. en IHC Finance een commanditaire vennootschap met elkaar aangegaan, met DC Orisant B.V. als beherend vennoot en IHC Finance als commanditaire vennoot. Het doel van het aangaan van deze commanditaire vennootschap was het exploiteren van het schip door het sluiten van een tijdbevrachtingsovereenkomst. Het recht van gebruik van het schip werd in de commanditaire vennootschap ingebracht door IHC Finance.
3.6.
DCI is medebestuurder en medeaandeelhouder (voor 40%) van DC Orisant B.V.. DCI is daarnaast de tijdbevrachter van het schip. Op 11 mei 2017 is de tijdbevrachtingsovereenkomst tussen DC Orisant C.V. en DCI gesloten.
3.7.
IHC Holland heeft Gebhard Electro B.V. (hierna: Gebhard) ingeschakeld voor het bouwen en opleveren van de elektrotechnische installaties (waaronder de schakelkasten in de schakelruimte). Gebhard heeft op haar beurt Werkina als onderaannemer ingeschakeld.
3.8.
Gebhard is op 2 mei 2018 failliet verklaard.
3.9.
Na het faillissement van Gebhard heeft Werkina de werkzaamheden aan het schip voortgezet. In dat verband heeft zij IHC op 29 mei 2018 het volgende schriftelijk medegedeeld:
Projectverantwoordelijkheid:
Zoals besproken ligt de volledige verantwoording voor het project bij IHC (…). Werkina zal overigens haar uiterste best doen om het geheel in goede samenwerking succesvol af te ronden!”
het incident en de gang van zaken daarna
3.10.
Het schip is na de oplevering op/omstreeks 28 november 2018 ingezet voor de winning van zeegrind in Polen op de locatie
Midsjo bank, gelegen op 95 zeemijlen uit de Poolse kust in de Oostzee.
3.11.
Op 11 januari 2019 heeft het schip omstreeks 01:00 uur de haven van Gdansk verlaten. Die nacht rond 03:08 uur ontstond, op een positie van 13 zeemijlen uit de kust van Gdansk, als gevolg van een knal of explosie een totale black-out op het schip. De elektriciteit aan boord van het schip is volledig weggevallen en het schip is onbestuurbaar geworden. Er is een brand in de schakelruimte ontstaan. Die brand heeft geleid tot forse schade aan de schakelruimte en de zich daarin bevindende apparatuur (waaronder de schakelkasten).
3.12.
Het schip is na de brand met behulp van een plaatselijke sleepboot teruggesleept naar de haven van Gdansk waar het diezelfde dag is afgemeerd aan de kade bij het bedrijf DC Minerals.
3.13.
Partijen hebben diverse experts aangesteld om onderzoek te doen naar de oorzaak van de elektriciteitsbrand.
3.14.
Bij e-mail van 31 juli 2023 heeft (de advocaat van) DCI mede namens de Orisant-vennootschappen Werkina aansprakelijk gesteld.

4.De vorderingen van Orisant c.s. en het verweer van Werkina

4.1.
Orisant c.s. vorderen - na wijziging van eis - om Werkina te veroordelen tot vergoeding van diverse schades als gevolg van de elektriciteitsbrand in de schakelkastruimte van het schip.
4.2.
Orisant c.s. vorderen om aan DC Orisant C.V. te vergoeden een bedrag van € 3.020.141,01, zijnde de door haar als gevolg van de elektriciteitsbrand in de schakelkastruimte van het schip geleden schade. Dit bedrag bestaat uit misgelopen huur op grond van de tijdbevrachtingsovereenkomst met DCI en uit de hogere verzekeringspremies die zij na de uitkering van de schade na het incident heeft moeten betalen, door haar berekend tot 13 november 2014, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Orisant c.s. vorderen ook vergoeding van de schade die DC Orisant C.V. in de toekomst nog zal lijden in verband met de hogere verzekeringspremie vanaf 13 november 2024, volgens haar berekening een bedrag van € 946.875,00, althans tot vergoeding van een door de rechtbank te bepalen bedrag.
4.3.
Orisant c.s. vorderen om aan DCI als schadevergoeding een bedrag van € 66.014,88 te betalen, zijnde de door DCI aan DC Orisant C.V. doorbetaalde charter huur over de periode van de eerste 48 uur na het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast vorderen zij, voor overige schadevergoeding van DCI, een verwijzing naar de schadestaatprocedure.
4.4.
Orisant c.s. vorderen daarnaast vergoeding van voor hun rekening komende expertisekosten van €14.612,- en van buitengerechtelijke incassokosten conform de BIK-staffel. Zij vorderen tot slot om Werkina te veroordelen in de kosten van de procedure.
4.5.
Werkina concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring of tot afwijzing van de vorderingen, dan wel tot matiging daarvan tot een door de rechtbank te bepalen bedrag, met veroordeling van Orisant c.s. in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

5.1.
de rechtbank is bevoegd en stelt vast dat Nederlands recht van toepassing is
5.1.1.
DCI is gevestigd in België, terwijl de Orisant vennootschappen en Werkina in Nederland zijn gevestigd. De rechtbank stelt daarom eerst haar bevoegdheid en het toepasselijk recht vast. Nu Werkina is verschenen en de internationale bevoegdheid van deze rechtbank niet heeft betwist, ontleent de rechtbank in ieder geval haar bevoegdheid aan artikel 26 van Pro de Brussel I bis-Vo (Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken).
5.1.2.
Partijen hebben op de mondelinge behandeling verklaard dat zij de processuele rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht. Dat betekent dat de rechtbank de vorderingen van Orisant c.s. met toepassing van Nederlands recht zal beoordelen.
5.2.
de rechtbank geeft een korte samenvatting van de discussie tussen partijen in deze zaak
5.2.1.
Orisant c.s. gronden hun vorderingen op onrechtmatige daad en betogen in de kern dat de elektrische installaties van de generatoren 2 en 3 zonder differentiaalbeveiliging in de schakelkasten 2 en 3 en met een opzettelijke doorlussing van de relais van de
Automatic Voltage Regulator(automatische spanningsregelaar, hierna: AVR) in alle vier de schakelkasten in bedrijf zijn gesteld en opgeleverd. Daardoor is een zeer gevaarlijke situatie in het leven geroepen, welk gevaar – een ongecontroleerde escalatie van een kortsluiting tot elektriciteitsbrand – zich op 11 januari 2019 heeft verwezenlijkt. Volgens Orisant c.s. zijn de brand en de daardoor opgetreden schades het gevolg van de gestelde onrechtmatige gedraging. De schade was namelijk veel beperkter geweest als de differentiaalbeveiliging goed had gefunctioneerd en de generator(en) eerder was/waren uitgeschakeld. Orisant c.s. weerspreken de hieronder te noemen betwistingen en verweren van Werkina.
5.2.2.
Werkina betwist de gestelde onrechtmatige daad. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat Werkina wel een onrechtmatige gedraging kan worden verweten, betoogt zij (heel kort samengevat en voor zover relevant):
- dat er geen causaal verband is tussen de onrechtmatige gedraging en het ontstaan van de brand;
- dat niet voldaan is aan het relativiteitsvereiste in artikel 6:163 BW Pro omdat de normen uit de ‘Classification Rules’ waarnaar Orisant c.s. verwijzen regels zijn voor de classificatie van het schip en de normen niet strekken tot voorkoming van vermogensschade;
- dat sprake is van eigen schuld van de bemanning van het schip bij het onder controle krijgen van de brand;
- dat haar in het kader van derdenwerking een beroep toekomt op exoneratiebedingen in de hoofdaannemingsovereenkomst (tussen IHC Holland en IHC Finance), in de Metaalunievoorwaarden, in de IHC General Purchase Conditions en op grond van de tussen IHC Holland en DC Orisant B.V., DC Orisant C.V. en IHC Finance gesloten vaststellingsovereenkomst bij oplevering van het schip;
- dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als Werkina als onderaannemer aansprakelijk kan worden gehouden voor in de hoofdaannemingsovereenkomst uitgesloten gevolgschade;
- dat de vorderingen van Orisant c.s. in elk geval aanzienlijk moeten worden gematigd (artikel 6:109 BW Pro).
5.3.
korte beschrijving van de staat en de werking van de technische installatie op het schip
5.3.1.
Voor een beter begrip van de zaak en de hierna nog weer te geven standpunten van partijen, wordt hierna eerst in zijn algemeenheid de voor de beoordeling relevante technische installatie van het schip beschreven.
5.3.2.
Voor de hoofdopwekking van stroom op het schip zijn vier generatoren geleverd en geïnstalleerd in de machinekamer van het schip. Deze generatoren leveren stroom aan het hoofdschakelbord en aan de vier schakelkasten die zich in de schakelruimte van het schip bevonden.
5.3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het ontwerp van het schip voorzag in een differentiaalbeveiliging door middel van stroomspoelen of stroomtrafo’s. Deze spoelen of trafo’s fungeerden als meetpunten om verschillen in stroomsterkte te detecteren: zij zouden over de koperen
busbars(ook wel rails of stroomgeleiders genoemd) worden geïnstalleerd om zo te kunnen meten of er een verschil in stroomsterkte zou bestaan tussen twee meetpunten (in de schakelkast en in de daaraan gekoppelde generator). Als er een verschil in opgewekt en gebruikt elektrisch vermogen zou worden gemeten, zou de generator worden ‘afgeschakeld’.
Dit afschakelen gaat via eerdergenoemde AVR. Bij een gemeten verschil tussen het opgewekte en het gebruikte vermogen geeft de AVR aan de generator het signaal om af te schakelen.
5.3.4.
Koedood Dieselservice B.V. (hierna: Koedood) was de leverancier van de generatoren en de stroomspoelen. Tijdens het bouwproces is gebleken dat de in eerste instantie door Koedood geleverde stroomspoelen niet om de
busbarsin de schakelkasten 2 en 3 heen konden worden bevestigd omdat die
busbarsdubbeldik waren uitgevoerd. Koedood moest andere, grotere, stroomspoelen gaan leveren die wel om de
busbarsheen zouden passen in de schakelkasten. Daarover zijn partijen het eens en dat blijkt ook uit e-mails van 19 en 26 maart 2018 van Koedood aan Werkina en IHC, als hierna (voor zover relevant) geciteerd:
“Volgende week (…) komt [persoon A] de current blocks(opmerking rechtbank: met ‘current blocks’ worden stroomspoelen bedoeld)
in de generatoren vervangen. Kun je dan inplannen dat ook de blocks in de schakelkasten vervangen worden? de oude nemen wij retour (…).Tevens rekening houden dat de main motoren dan niet kunnen draaien.”
en
“De stroomblokken(opmerking rechtbank: ook dit is een synoniem voor stroomspoelen)
hebben vertraging opgelopen met leveren. Daardoor gaat de afgesproken datum niet door”
5.3.5.
Tussen partijen is niet in geschil (dat is in ieder geval niet of onvoldoende door Werkina weersproken) dat de voor de
busbarsbenodigde stroomspoelen uiteindelijk niet in de schakelkasten 2 en 3 zijn geïnstalleerd en het schip dus is opgeleverd zonder dat deze stroomspoelen zich in die schakelkasten bevonden.
5.3.6.
Tijdens het bouwproces zijn de schakelkasten diverse malen getest, zonder de aanwezigheid van passende stroomspoelen in schakelkasten 2 en 3.
5.3.7.
De ‘Factory Acceptance Test’ (hierna: FAT) heeft op 31 augustus 2017 plaatsgevonden in de werkplaats van Werkina. De ‘Harbour Acceptance Test’ (hierna: HAT) heeft plaatsgevonden op 14 maart 2018. Tijdens (onder meer) die tests zijn controles uitgevoerd om te zien of de motoren en generatoren werken.
5.3.8.
Tussen partijen en hun deskundigen is op zichzelf niet in geschil dat de generatoren door het ontbreken van de stroomspoelen in de daaraan gekoppelde schakelkasten geen elektrisch vermogen zouden leveren aan de motoren of andere stroomverbruikers van/op het schip omdat de differentiaalbeveiliging in dat geval continu een ongelijke stroomwaarde zou meten en het signaal aan de generatoren zou geven om af te schakelen.
5.3.9.
Voor het kunnen plaatsvinden van de FAT en de HAT was nodig dat de generatoren stroom/vermogen zouden gaan leveren. Om die reden zijn de relais van de AVR doorgelust/doorverbonden, waardoor de differentiaalbeveiliging buiten werking is gesteld en de generatoren het voor de tests benodigde vermogen konden leveren. Het doorlussen is gebeurd door twee draden onder één schroefklem met elkaar te verbinden en is – daar zijn partijen het in essentie over eens – een bewuste handeling geweest, op enig moment voordat de FAT en de HAT hebben plaatsgevonden.
5.4.
Is het doorlussen van de relais van de AVR en/of het nalaten om deze doorlussing ongedaan te maken onrechtmatig gevaarzettend gedrag van een werknemer van Werkina geweest en is Werkina daarvoor aansprakelijk?(onrechtmatige daad)
een werknemer van Werkina heeft de relais van de differentiaalbeveiliging doorgelust; die doorlussing is daarna niet ongedaan gemaakt
5.4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [persoon B] (engineer in dienst van Werkina, hierna: [persoon B] ) op enig moment voordat de FAT en de HAT plaatsvonden de relais van de AVR van de differentiaalbeveiliging in de schakelkasten heeft doorgelust/doorverbonden. Dat blijkt uit de eigen verklaring van [persoon B] tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak. Hij heeft verklaard dat het doorlussen nodig was om de generatoren stroom te laten leveren voor de tests (onder meer de FAT en de HAT) tijdens het bouwproces en dat het doorlussen is gebeurd voor het faillissement en onder de verantwoordelijkheid van Gebhard.
5.4.2.
Vast staat ook dat die doorlussing daarna niet ongedaan is gemaakt en het schip dus met een buiten werking gestelde differentiaalbeveiliging door IHC Holland is opgeleverd. Koedood heeft ook nooit de op de
busbarspassende stroomspoelen geleverd voor de schakelkasten. Die stroomspoelen zijn dus nooit in de schakelkasten geïnstalleerd.
5.4.3.
Het schip is in die staat operationeel geweest.
5.4.4.
Niet in geschil is dat Werkina op grond van artikel 6:170 BW Pro aansprakelijk is voor een eventuele fout of fouten van een van haar werknemers (zoals [persoon B] ).
kern van de zaak en juridisch kader voor de beoordeling van onrechtmatige gevaarzetting
5.4.5.
De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of sprake is van (aan Werkina toe te rekenen) onrechtmatig gevaarzettend gedrag van [persoon B] door de relais van de AVR door te lussen om de differentiaalbeveiliging te omzeilen en/of door, na het plaatsvinden van de tests tijdens het bouwproces, na te laten om die doorlussing ongedaan te maken.
5.4.6.
Bij de beoordeling geldt op grond van vaste jurisprudentie het volgende als uitgangspunt. Of de veroorzaking van schade door het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaar onrechtmatig is, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Of gevaarzetting onrechtmatig is hangt, gelet op de door de Hoge Raad geformuleerde Kelderluik-criteria, af van de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. Niet reeds de enkele mogelijkheid van verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar doet dat gedrag onrechtmatig zijn. Zodanig gevaarscheppend gedrag is alleen onrechtmatig als de mate van waarschijnlijkheid van die verwezenlijking als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.
5.4.7.
Het door Orisant c.s. gedane beroep op de ‘Classification Rules’ heeft geen toegevoegde waarde. De rechtbank is het op zichzelf eens met Werkina dat niet voldaan is aan het relativiteitsvereiste in artikel 6:163 BW Pro omdat de normen uit de ‘Classification Rules’ regels zijn voor de classificatie van het schip en de normen niet direct strekken tot voorkoming van vermogensschade. Het onder klasse brengen is van belang in verband met de verzekerbaarheid van het schip en uiteraard is de veiligheid van het schip wel een belangrijk onderdeel daarvan. Voor de rechtbank blijft het toetsingskader echter hetgeen in de vorige rechtsoverweging is overwogen.
De stelplicht en - bij gemotiveerde betwisting - de bewijslast van feiten waaruit volgt dat sprake is van onrechtmatig gevaarzettend gedrag rust op Orisant c.s..
de verwijten van Orisant c.s.
5.4.8.
Orisant c.s. stellen in dat verband het volgende. Het opleveren en in bedrijf stellen van de elektrische installatie van het schip met een werkende differentiaalbeveiliging in de schakelkasten was de verantwoordelijkheid van Werkina.
Werkina heeft nagelaten om de buiten werking gestelde differentiaalbeveiliging weer in werking te stellen. Daarmee is Werkina onzorgvuldig te werk gegaan en heeft zij welbewust een hoogst onveilige situatie in het leven geroepen met levensgevaar voor opvarenden. Bovendien heeft zij in strijd gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
5.4.9.
Orisant c.s. beroepen zich op een rapport van Eelsing Expertises & Taxaties. Dit rapport vermeldt onder meer het volgende:
“The most important conclusion in this report is that a short circuit took place between 2 bus bars for a short period of time with very high temperatures as a result. The current increased progressively due maintaining the power supply by generator no. 3 which was not switched off by the safety system. The switchboards contain several circuit breakers that switch on and off different generators and consumers. A generator switch is meant to switch off the switchboard in case of any mistake or short circuit, voltage differences etc.In this case the generator no. 3 was not switched off by the safety system when the short circuit took place. The investigation team discovered that the current measuring coils[opmerking rechtbank: stroomspoelen]
of all 3 bus bars were not present in the rear of the switchboard no 2. Switchboard no. 2 was examined as this switchboard is identical with the damaged switchboard no. 3 that was destroyed. This shows that the system was delivered without a fully functioning safety system, which in our opinion can be assessed as a negligence of the yard.”
5.4.10.
Dat het de verantwoordelijkheid was van Werkina om de doorlussing van de differentiaalbeveiliging ongedaan te maken, volgt ook uit het feit dat [persoon B] voor en na de FAT en de HAT de toegang had tot de schakelkasten tot aan de oplevering en dat de bediening daarvan alleen aan Werkina was voorbehouden en [persoon B] was betrokken bij alle tests tijdens het bouwproces. Na de HAT en vlak voor de oplevering van het schip is nog een afnametest geweest, een
load steps test, waarvoor de generatoren vermogen moesten leveren. Onder verwijzing naar verklaringen van hoofdwerktuigkundige [persoon C] en [persoon D] (projectleider van IHC Holland) stellen Orisant c.s. dat de betrokkenheid van [persoon B] bij het realiseren van het elektrische systeem, ook na het faillissement van Gebhard, onverminderd groot is geweest en dat Werkina tot het moment van oplevering van het schip de toegang had tot de schakelkast en dat na de HAT de structuur van de vermogensdistributie niet meer is aangepast.
5.4.11.
Orisant c.s. houden Werkina aansprakelijk voor het onzorgvuldige handelen van [persoon B] . Omdat [persoon B] de doorlussing (en daarmee het buiten werking stellen van de differentiaalbeveiliging) heeft uitgevoerd moet Werkina geweten hebben dat de stroomspoelen in de schakelkasten ontbraken. Door het enige tijd operationeel blijven van de generatoren na de kortsluiting is de temperatuur zeer snel opgelopen tot enorme hoogte met plasmavorming van het koper als gevolg. Het vrijkomende koperplasma (geïoniseerde lucht) heeft tot een of meerdere explosie(s) en uiteindelijk tot de brand aan boord van het schip geleid. Zelfs als Werkina er destijds van uit ging dat Koedood of IHC Holland die stroomspoelen in een later stadium nog zou aanbrengen in de schakelkasten, neemt dat de onzorgvuldigheid en onrechtmatigheid niet weg, want door de overbrugging van de beveiliging zou ook in dat geval het beveiligingssysteem niet hebben gewerkt. Ook bij een (juiste) installatie van de stroomspoelen in de schakelkasten zou de differentiaalbeveiliging door de doorlussing van de relais van de AVR niet in werking zijn getreden, aldus nog steeds Orisant c.s..
Werkina betwist het gestelde onzorgvuldig en onrechtmatige handelen
5.4.12.
Koedood moest passende stroomspoelen leveren voor de generatoren en de schakelkasten. Dat is waar Werkina van uit ging op basis van de onder 5.3.4 geciteerde e-mailberichten. IHC Holland was de opdrachtgever van Koedood. Werkina heeft van Gebhard, noch van IHC Holland de opdracht gekregen om de stroomspoelen te leveren en in de schakelkasten te installeren. Dat Koedood uiteindelijk de stroomspoelen niet heeft geleverd en vervangen, levert geen onrechtmatige daad op van Werkina. Omdat Werkina ervan uitging dat Koedood zorg zou dragen voor het installeren van passende stroomspoelen, is ook geen sprake van het bewust door Werkina in stand houden van een onveilige situatie.
5.4.13.
Na het faillissement van Gebhard is Werkina schriftelijk met IHC Holland overeengekomen dat de verantwoordelijkheid van het project bij IHC Holland lag. IHC Holland had er zelf op toe moeten zien dat de stroomspoelen in de schakelkasten werden geïnstalleerd en de doorlussing ongedaan werd gemaakt en dat alles in goede banen zou worden geleid. IHC wist ook dat de relais van de AVR waren doorverbonden en dat dat nodig was voor het door laten gaan van de FAT en de HAT. Iemand had het op zich moeten nemen om het doorlussen ongedaan te maken, maar Werkina heeft daartoe geen opdracht gehad van IHC Holland.
5.4.14.
Daarnaast geldt dat Werkina niet bewust een onveilige situatie in stand heeft gehouden door het doorlussen niet zelf ongedaan te maken. De deskundigen van partijen zijn het erover eens dat de locatie van de kortsluiting zich buiten het gebied van de differentiaalbeveiliging (buiten het gebied tussen de spoelen) bevond. Het viel niet te verwachten dat de differentiaalbeveiliging bescherming zou geven tegen (schade door) kortsluiting buiten het beveiligde gebied. De differentiaalbeveiliging diende primair om de generator te beschermen tegen lekstromen in het beveiligde gebied tussen de stroomspoelen. De mate van waarschijnlijkheid dat de differentiaalbeveiliging bescherming biedt tegen kortsluiting die zich niet voordoet in het beveiligde gebied tussen de stroomspoelen, maar op een andere locatie buiten de beveiliging, is niet groot. In ieder geval geldt dat de differentiaalbeveiliging daar niet voor is bedoeld. Werkina was en kon zich er dan ook niet van bewust zijn, dat het niet aanbrengen van de stroomspoelen tot de door Orisant c.s. gevorderde schade zou kunnen leiden. Er is dus geen sprake van verwezenlijking van een aan een bepaald gevaarscheppend gedrag inherent gevaar.
het doorlussen van de relais van de AVR voor de tests tijdens het bouwproces is op zichzelf geen onrechtmatig gevaarscheppend gedrag; de kern is het nadien nalaten dit te melden of ongedaan te maken
5.4.15.
De rechtbank begrijpt uit de standpunten van partijen over en weer dat het doorlussen van de relais van de AVR tijdens het bouwproces een duidelijk doel had en welbewust is gedaan om de tests (FAT en daarna de HAT) tijdens het bouwproces te kunnen laten plaatsvinden. Het doorlussen door [persoon B] voor de tests tijdens het bouwproces kan, op zichzelf beschouwd, niet als onrechtmatig gevaarzettend gedrag worden gezien.
5.4.16.
De kern van het gestelde gevaarzettend gedrag is dat de doorlussing van de relais van de AVR na de tests en voor de oplevering van het schip niet ongedaan is gemaakt en het schip vervolgens, met een nog steeds omzeilde differentiaalbeveiliging, is opgeleverd en operationeel is geweest. Of het niet ongedaan maken van de doorlussing onrechtmatig gevaarzettend was, zal de rechtbank hierna beoordelen op grond van het onder r.o. 5.4.6 vermelde beoordelingskader. Daarbij wordt opgemerkt dat partijen in deze zaak met name standpunten hebben ingenomen die de rechtbank plaatst in de (Kelderluik-)criteria 1) waarschijnlijkheid van of kans op ongevallen, 2) de mogelijke aard en ernst van de mogelijke schade en 3) de bezwaarlijkheid van de te nemen maatregelen door (de werknemer van) Werkina.
de rechtbank wil zich bij beoordeling van het criterium ‘kans op ongevallen’ door een of meerdere deskundigen laten voorlichten
5.4.17.
De enkele mogelijkheid van een ongeval is onvoldoende voor het aannemen van onrechtmatige gevaarzetting. Bij de beantwoording van de vraag of het gevaarzettend gedrag als onrechtmatig handelen kwalificeert, moet de rechtbank een oordeel geven over de kans dat het incident, zoals dat zich heeft voorgedaan op 11 januari 2019, het gevolg is van het nalaten om de doorlussing ongedaan te maken, althans het omzeild zijn van de differentiaalbeveiliging en een oordeel geven over de vraag of de differentiaalbeveiliging bedoeld was om een incident zoals zich heeft voorgedaan op 11 januari 2019 te voorkomen. Daarbij verstaat de rechtbank onder ongeval of incident in deze zaak: het na de kortsluiting voor een bepaalde, langere, tijd in werking blijven van de elektrische systemen aan boord waardoor de temperatuur tot een zodanige hoogte heeft kunnen stijgen dat er brand in de schakelruimte heeft kunnen ontstaan en woeden, met de schadelijke gevolgen van dien.
5.4.18.
Partijen hebben hun standpunten over en weer voldoende gemotiveerd onderbouwd. De rechtbank constateert dat er enige overlap bestaat tussen de vraag naar de kans op ongevallen als een gevolg van het niet ongedaan maken van de doorlussing van de differentiaalbeveiliging en de (meer basale) vraag of er een causaal verband bestaat tussen het door Orisant c.s. gestelde onrechtmatig gevaarzettend gedrag en de ingetreden schade. Vanwege die overlap en vanwege de hierna te bespreken standpunten die partijen over en weer hebben ingenomen met betrekking tot het causaal verband, zal de rechtbank een of meer deskundigen benoemen. Verwezen wordt naar r.o. 5.12.1 tot en met 5.12.3.
5.5.
is de brand en daarmee de opgetreden schade het gevolg geweest van het buiten werking zijn van de differentiaalbeveiliging?(causaal verband)
de oorzaak en de precieze locatie van de kortsluiting die heeft geleid tot de brand zijn niet relevant voor de vraag naar het causaal verband
5.5.1.
Partijen hebben over en weer - onder verwijzing naar de diverse experts - argumenten aangevoerd over waar en hoe de kortsluiting precies is ontstaan. Deze argumenten hebben zij aangevoerd ter onderbouwing van hun stellingen en betwistingen van het causaal verband.
5.5.2.
Orisant c.s. hebben gesteld dat de kortsluiting zeer waarschijnlijk het gevolg is van een los voorwerp dat aanwezig was in de schakelkast en dat op de
busbarszou zijn gevallen. Dat zou volgen uit het schadebeeld en uit de aanwezigheid van de vlamboog ter plaatse van de busbars.
5.5.3.
Werkina heeft gesteld dat de brand is ontstaan door een gebrek in de vermogensschakelaar (
Air Circuit Beaker) in de schakelkast van generator 3.
5.5.4.
Voor de vraag of sprake is van causaal verband in die zin dat de kortsluiting de differentiaalbeveiliging zou hebben aangesproken, maakt het niet uit of de kortsluiting is ontstaan doordat een voorwerp op de
busbarsviel of dat sprake was een gebrek in de vermogensschakelaar; beide locaties bevinden zich buiten het door de differentiaalbeveiliging beveiligde gebied. Partijen hebben bij de mondelinge behandeling bevestigend geantwoord op de vraag of de specifieke locatie van de kortsluiting voor het beoordelen van het causale verband inderdaad in het midden kan blijven.
5.5.5.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de differentiaalbeveiliging bij een kortsluiting buiten het beveiligd gebied in werking zou zijn getreden. Hun standpunten hierover worden hierna vermeld.
Orisant c.s. stellen dat de differentiaalbeveiliging wel in werking zou zijn getreden bij kortsluiting buiten het beveiligde gebied
5.5.6.
Orisant c.s. stellen dat er een verband bestaat tussen de opgetreden schade en het niet werken van de differentiaalbeveiliging. Als er een functionerende differentiaalbeveiliging zou zijn gerealiseerd dan zou de opgetreden schade in schakelkast 3 beperkt zijn gebleven, omdat de generator zou zijn uitgeschakeld. Daarmee zou ook de stilligtijd voor de reparatie van de beschadigde onderdelen van de schakelkasten zeer beperkt zijn gebleven, naar de eigen schatting van Orisant c.s. tot circa één week stilligschade. Door het ontbreken van een werkende differentiaalbeveiliging is generator 3 operationeel gebleven en is die generator stroom blijven leveren ondanks de kortsluiting. De stroomsterkte heeft gedurende circa 5 seconden exponentieel kunnen toenemen, met een zodanige temperatuurstijging van het kopermateriaal van de
busbarstot gevolg dat het kopermateriaal is gaan verdampen (ioniseren). Orisant c.s. wijzen erop dat de impact van het ioniseren (vormen van koperplasma) enorm is en gepaard is gegaan met explosies en een elektriciteitsbrand.
5.5.7.
Dat de locatie van de kortsluiting zich buiten het door de differentiaalbeveiliging beveiligde gebied bevond, maakt dit niet anders. Orisant c.s. verwijzen naar de (relevante) verklaringen van deskundige [persoon E] (van Artemas) in zijn brief van 8 december 2021:
(opmerking rechtbank: Orisant c.s. wijzen erop dat met ‘kortsluitvast gebied’ wordt bedoeld: kortsluit
beveiligdgebied)
“Bij een calamiteit zou ingeval van een functionerende AVR het relay afvallen en zou het AVR een signaal krijgen om de generator af te laten vallen. Omdat de kortsluiting plaatsvond in het sowieso niet door de AVR beveiligde kortsluitvast gebied, zou er ook bij een functionerende AVR door de kortsluiting schade zijn ontstaan aan de installatie ter plaatse van die kortsluiting in dat niet kortsluitvast gebied. Echter, het fenomeen van de plasmavorming zou zich dan nog niet hebben kunnen manifesteren, omdat deze zich alleen kan handhaven bij een groot elektrisch vermogen (…). In de opbouw van het elektrisch vermogen en van de temperatuur (…) zou er ruim voor het bereiken van de smelttemperatuur(rechtbank: van de koperen
busbars) vanwege inductiestroom sprake zijn geweest van verschillen in meetwaarden tussen de in de generator ingebouwde stroomspoelen (…) en de daarmee gepaarde stroomspoelen ter plaatse van T013(opmerking rechtbank: daarmee wordt bedoeld, de parende stroomspoelen in de schakelkast 3)
. De AVR zou dan een signaal hebben gekregen om de generator af te laten vallen en de generator geen vermogen meer te laten leveren. Doordat (…) de ‘current’ beveiliging van de AVR buiten werking was gesteld, heeft de kortsluiting die heeft plaatsgehad vanwege het operationeel blijven van de generator en de daardoor veroorzaakte plasmavorming in een veel grotere schade geresulteerd dan bij een kortsluiting waarbij na het moment van kortsluiting verder geen elektrisch vermogen meer wordt gegenereerd.”
5.5.8.
Tijdens de mondelinge behandeling is daaraan door Orisant c.s. en [persoon E] het volgende toegevoegd en verduidelijkt. Als de differentiaalbeveiliging had gewerkt, dan zou er door de kortsluiting als gevolg van de bij die kortsluiting optredende inductie een verschil in magnetisch veld zijn gemeten tussen twee parende spoelen. Op circa 20 centimeter afstand van de locatie van de kortsluiting zou de parende stroomspoel in de schakelkast vrijwel geen magnetisch veld hebben gemeten, terwijl het magnetisch veld gemeten in de parende spoel in de generator als gevolg van de gigantisch toegenomen stroomsterkte aanzienlijk zou zijn geweest. Door deze inductie buiten het beveiligd gebied zouden alsnog verschillen in stroomsterkte zijn ontstaan tussen de stroomspoelen, waardoor de differentiaalbeveiliging wel zou zijn aangesproken. In dat geval zou geen ionisatie van de koperen
busbarshebben kunnen optreden, omdat de AVR de generator zou hebben laten afvallen voordat deze het voor verdamping van het koper noodzakelijk elektrisch vermogen zou gaan leveren.
Werkina betwist dat de differentiaalbeveiliging in werking was getreden omdat de kortsluiting plaatsvond buiten het beveiligde gebied en omdat de timer van de differentiaalbeveiliging was ingesteld op 5 seconden
5.5.9.
Werkina betoogt dat een functionerende differentiaalbeveiliging niet tot minder schade zou hebben geleid en dat het schadebeeld exact hetzelfde zou zijn geweest als de differentiaalbeveiliging wel had gewerkt.
5.5.10.
De kortsluitlocatie bevindt zich buiten het circuit dat wordt beveiligd door de differentiaalbeveiliging. Omdat de kortsluiting heeft plaatsgehad in het buiten het door de AVR beveiligde gebied zou de differentiaalbeveiliging niet zijn geactiveerd.
Werkina verwijst ter onderbouwing hiervan onder meer naar het expertiserapport van deskundige [persoon F] (van McLarens), waarin (voor zover relevant) het volgende staat vermeld:
“De bevindingen van Eelsing Expertise, Artemas en Werkina met betrekking tot de oorzaak zijn voorgelegd aan Burgoynes. De drie rapportages hebben als overeenkomst dat de oorsprong van de brand is gelegen in een kortsluiting tussen de rails aan de achterzijde van het 690 volt schakelbord dat is gekoppeld aan generator 3. De rapportages hebben tevens als overeenkomst dat dit deel van het railsysteem waar de kortsluiting is opgetreden niet werd beveiligd door de differentiaalbeveiliging, ook al zouden de missende stroomtrafo’s zijn geplaatst en hebben gefunctioneerd.”
5.5.11.
Op de zitting heeft deskundige [persoon F] (van McLarens) verdere toelichting gegeven hierop. Er blijft weinig over van de sterkte van een eventueel magnetisch veld dat de stroomspoelen op tientallen centimeters afstand zou kunnen beïnvloeden. Naar de inschatting van de deskundige zou de magnetische veldsterkte op de locatie van de stroomspoelen hooguit vergelijkbaar zijn met die van een koelkastmagneet. De materialen van de stroomspoelen zullen externe magnetische velden niet doorlaten, waardoor de stroomspoelen niet beïnvloed kunnen worden door magnetische invloeden van buitenaf of omgevingsfactoren.
5.5.12.
Op de zitting heeft Werkina verder betoogd dat de differentiaalbeveiliging stond ingesteld op 2,5 seconden en dat binnen die tijdspanne, mismetingen worden genegeerd en de differentiaalbeveiliging niet in werking treedt. Volgens Werkina is de kortsluiting te kort of te snel geweest voor de differentiaalbeveiliging om te meten of om op te reageren.
5.5.13.
Werkina heeft na de mondelinge behandeling de onderstaande foto in het geding gebracht, waarop de tijdsinstelling van de differentiaalbeveiliging is te zien. In de begeleidende e-mail aan de rechtbank en aan Orisant c.s. heeft (de raadsman van) Werkina haar op de zitting ingenomen standpunt gecorrigeerd in die zin, dat op de foto een tijdsinstelling van 5 seconden te zien is. Werkina heeft naar voren gebracht dat de differentiaalbeveiliging kan worden ingesteld met een afschakeltijd tussen 0 en 10 seconden (waarbij 0 seconden overeenkomst met een reactietijd van 50 milliseconden). Op de tweede foto hieronder is de tijdsinstelling uitvergroot. Hierop is te zien dat de witte stippen op de draaiknoppen zich in het midden bevinden van de waarden links- en rechtsonder de draaiknoppen. Dit betekent dat de timer was ingesteld op een afschakeltijd van 5 seconden.
5.5.14.
Vanwege de instelling van de timer op 5 seconden zou de differentiaalbeveiliging bij een kortsluitstroom binnen het beveiligde gebied pas na 5 seconden zijn geactiveerd en de kortsluitstroom hebben kunnen onderbreken. Uit de stellingen van Orisant c.s. blijkt dat de kortsluitstroom ongeveer 5 seconden in stand is gebleven. Dat maakt dat het schadebeeld bij een werkende differentiaalbeveiliging exact hetzelfde zou zijn geweest.
5.5.15.
Daarnaast wijst Werkina ook meer in algemene zin op het doel en de werking van de differentiaalbeveiliging en van de
Air Circuit Breaker(vermogensschakelaar), een ander onderdeel van de elektrotechnische installatie.
5.5.16.
De differentiaalbeveiliging beschermt primair de generator tegen lekstromen in het beveiligde gebied tussen de parende stroomspoelen. De differentiaalbeveiliging kan in werking treden bij lage gemeten stroomverschillen. Om die reden heeft deze een instelbare afschakeltijd (timer functie), die instelbaar is tussen 0 en 10 seconden. Deze functie is bedoeld om valse alarmen te voorkomen, die kunnen ontstaan bij opstart van de generatoren of inschakeling van grote verbruikers. Als er kortsluiting in het beveiligd gebied zou optreden, zou de kortsluitstroom ongeveer 5 seconden in stand moeten zijn gebleven voordat de AVR de generator zou afschakelen. De differentiaalbeveiliging beschermt uitdrukkelijk niet tegen kortsluiting buiten het beveiligd gebied zoals die zich hier heeft voorgedaan. Dat is ook niet de bedoeling van deze beveiliging, anders zou er geen instelbare timer functie op zitten. De
Air Circuit Breakeris een kortsluitbeveiliging die alleen in werking treedt bij een hoge stroom boven de normale limiet. Deze heeft een afschakeltijd van milliseconden bij zeer hoge stromen. Deze afschakeltijd is niet instelbaar. De differentiaalbeveiliging en
Air Circuit Breakerhebben een compleet andere werking en toepassing. Werkina was niet de producent van de
Air Circuit Breaker.
de reactie van Orisant c.s. op de werking en tijdsinstelling van de differentiaalbeveiliging
5.5.17.
Orisant c.s. hebben op de zitting en vervolgens bij nadere akte gereageerd op de argumenten van Werkina over de werking en instellingen van de differentiaalbeveiliging.
5.5.18.
Orisant c.s. weerspreken niet dat de timer functie van de differentiaal beveiliging is bedoeld om valse alarmen te voorkomen en dat die valse alarmen kunnen ontstaan bij de opstart van generatoren, synchronisaties van generatoren op het boordnet en bijvoorbeeld inschakeling van grote verbruikers. Deze netbelastingen veroorzaken pulsen in het boordnet die tot valse alarmen kunnen leiden van de differentiaalbeveiliging. Door de timer functie worden deze valse alarmen eruit gefilterd. Ook wordt niet weersproken dat een timer functie van 5 seconden een normale instelling is.
5.5.19.
Orisant c.s. betogen dat bij een kortsluiting geen sprake is van ‘vals alarm’, maar van een urgente situatie. Deze omstandigheden waarbij de tijdsvertraging of timerfunctie van belang is om valse alarmen te voorkomen betreffen per definitie fluctuaties in de stroomvoorziening binnen één en dezelfde fase, binnen één en dezelfde
busbar. Dergelijke fluctuaties die binnen één en dezelfde fase (binnen één
busbar) optreden bij fluctuatie van het stroomaanbod en/of de stroomafname, betreffen natuurlijk wezenlijk andere situaties
dan een kortsluiting tussen een fase en een aarding of tussen twee fases (in dit geval tussen twee
busbars) zoals deze zich feitelijk heeft voorgedaan. Een functionerende differentiaalbeveiliging zou bij een kortsluiting tussen een fase en
aarding en/of tussen twee of meer fases natuurlijk zonder inachtneming van de
ingestelde tijdsvertraging/timerfunctie de generator direct hebben laten afschakelen. Er
zou dan niet gedurende een ingestelde vertragingsperiode van meerdere seconden een
vlamboog kunnen hebben ontstaan met dermate hoge temperaturen dat plasmavorming
van het koper kan optreden.
5.5.20.
Orisant c.s. wijzen erop dat de aan de kant van IHC Holland en Werkina betrokken experts niet hebben geadviseerd dat de differentiaalbeveiliging in geval van een kortsluiting binnen het beveiligde gebied pas na afloop van de ingestelde tijdsvertraging/timer de generator zou hebben afgeschakeld. Als dat anders zou zijn en de differentiaalbeveiliging voor het afschakelen van de generator zou wachten tot na afloop van de timer, dan zou de beveiliging die de differentiaalbeveiliging moet bieden tegen kortsluitschade niets inhouden.
5.5.21.
Verder hebben Orisant c.s. op de zitting nog bepleit dat het niet mogelijk is dat de kortsluiting te kort heeft geduurd om door de differentiaalbeveiliging te zijn opgemerkt. De kortsluiting heeft langer geduurd, want anders was er geen plasmavorming van het koper opgetreden.
de rechtbank wil zich door een of meerdere deskundigen laten voorlichten
5.5.22.
Partijen hebben aan beide kanten gemotiveerde en met deskundigenverklaringen onderbouwde standpunten ingenomen over het specifieke doel van de differentiaalbeveiliging, over het al dan niet in werking zijn getreden van de differentiaalbeveiliging bij kortsluiting buiten het beveiligde gebied en over de tijdsinstelling van de beveiliging. De rechtbank heeft behoefte aan voorlichting door een of meerdere onafhankelijke deskundigen op dit punt. Verwezen wordt naar r.o. 5.12.1 tot en met 5.12.3.
5.6.
de rechtbank geeft, vooruitlopend op de uitkomst van het deskundigenbericht, vast een oordeel over overige discussiepunten tussen partijen
5.6.1.
Als op basis van het deskundigenbericht vast komt te staan dat de differentiaalbeveiliging na de kortsluiting die zich op 11 januari 2019 heeft voorgedaan niet in werking was getreden, zullen de vorderingen van Orisant c.s. worden afgewezen.
Als de rechtbank na het deskundigenbericht van oordeel is dat een werkende differentiaalbeveiliging na de kortsluiting wel in werking zou zijn getreden en dus bescherming zou hebben geboden, wordt toegekomen aan de verdere standpunten van partijen over de gevaarzetting en het causaal verband, de bevrijdende verweren van Werkina en de door Orisant c.s. gestelde schades. De rechtbank geeft in dit vonnis al een oordeel over enkele andere belangrijke discussiepunten tussen partijen.
5.7.
enkele overige relevante (Kelderluik-)criteria voor onrechtmatig gevaarzettend handelen
5.7.1.
Als vast komt te staan dat er een kans was op de opgetreden schade door het niet ongedaan maken van de doorlussing en dat de differentiaalbeveiliging bedoeld was om een incident zoals zich heeft voorgedaan op 11 januari 2019 te voorkomen, is de rechtbank van oordeel dat de werknemer van Werkina onrechtmatig gevaarzettend heeft gehandeld. Dit oordeel wordt in eerste plaats gerechtvaardigd door de (niet in discussie zijnde) aard en de ernst van het gevaar, te weten, (levens)gevaar voor de bemanning aan boord en forse zaakschade aan het schip. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat het treffen van maatregelen door Werkina niet bezwaarlijk zou zijn geweest.
5.7.2.
Door Werkina betoogd, maar niet onderbouwd, is het standpunt dat IHC Holland zelf ook op de hoogte was van het feit dat de doorlussing voor de oplevering niet ongedaan was gemaakt of dat Werkina IHC Holland daarvoor heeft gewaarschuwd. Het bericht van Werkina aan IHC Holland na het faillissement van Gebhard, dat IHC de volledige verantwoordelijkheid voor het project zou dragen, is daarvoor niet voldoende geweest. Werkina had voor haar handelen en nalaten een eigen verantwoordelijkheid, die zij niet kan afschuiven op een andere partij. Zeker niet nu niet is onderbouwd wanneer of op welke wijze Werkina IHC Holland heeft gewaarschuwd voor het feit dat de doorlussing (nog) niet ongedaan was gemaakt.
5.7.3.
Dat er na het faillissement van Gebhard (zoals Werkina betoogt) ook nog andere partijen naast Werkina door IHC waren ingeschakeld om werkzaamheden te verrichten aan de elektrotechnische installatie, doet niets af aan de eigen verantwoordelijkheid van Werkina nu vast staat dat een van haar werknemers de relais van de AVR tijdens het bouwproces heeft doorgelust.
5.7.4.
De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van Werkina dat Koedood de stroompoelen moest leveren en vervangen in de schakelkasten. Het onrechtmatig gevaarzettend gedrag ziet specifiek op het niet ongedaan maken van de doorlussing door (een werknemer van) Werkina. De rol van Koedood is – wat daar ook van zij – op zichzelf niet relevant nu het gevaar door een werknemer van Werkina in het leven is geroepen.
5.7.5.
Bovendien is daarmee niet de stelling van Orisant c.s. weerlegd dat de doorlussing van de relais van de AVR óók ongedaan had moeten worden gemaakt als de parende spoelen wel in de schakelkasten 2 en 3 waren geïnstalleerd. Ook in dat geval had de differentiaalbeveiliging niet gewerkt, omdat met het doorlussen van de relais nu juist werd voorkomen dat de AVR in werking zou treden en bij een verschil in gemeten stroomsterktes tussen parende spoelen de generator zou afschakelen.
5.8.
geen eigen schuld Orisant c.s.
5.8.1.
Werkina voert het bevrijdende verweer dat sprake is van eigen schuld van Orisant c.s. en bepleit dat de vordering moet worden afgewezen of aanzienlijk moet worden gematigd.
5.8.2.
De bemanning van het schip heeft volgens Werkina niet de juiste (schadebeperkende) maatregelen genomen toen de kortsluiting/brand was ontstaan. De bemanning gebruikte handblussers om de brand te blussen, besloot vervolgens om de brand uit te laten branden, dit terwijl het schip is uitgerust met een vaste CO2 blusinstallatie voor de machinekamer (inclusief de schakelruimte). De bemanning heeft in plaats daarvan handblussers ingezet. Onder verwijzing naar het rapport van Biesboer Expertise, stelt Werkina dat de brand inclusief de gevolgschade van deze brand beperkter van aard zou zijn geweest als de bemanning efficiënter had ingegrepen door de CO2 blusinstallatie kort na de brand te activeren. Door het CO2 blussysteem wordt CO2 in de machinekamer gespoten. Hierdoor neemt het zuurstofgehalte in de machinekamer af, wat voorkomt dat de brand zich verder kan verspreiden en er uiteindelijk voor zorgt dat het vuur dooft.
5.8.3.
Orisant c.s. betwisten gemotiveerd dat de bemanning niet adequaat heeft opgetreden nadat de brand was ontstaan. Onder verwijzing naar de verklaringen van expert [persoon E] betogen Orisant c.s. dat de schade als gevolg van de neerslag van de koper- en metaalionen onmiddellijk bij het ontstaan en het gedurende circa 5 seconden in stand blijven van de vlamboog al een feit was en dat sprake was van een elektrische brand, die niet kan worden geblust. De schade had niet voorkomen kunnen worden met CO2 of andere blusmiddelen. De bemanning heeft wel geprobeerd de atmosferische brand van de brandbare materialen die als gevolg van de enorme hitte was ontstaan, te blussen met handblussers, maar dat is niet gelukt. Daarop is besloten de schakelkastruimte af te sluiten van luchttoevoer en de atmosferische brand door het onthouden van zuurstof te laten doven. Het inschakelen van de CO2 blusinstallatie zou geen positief effect hebben gehad op de omvang van de atmosferische brandschade. Het met CO2 doven van de al veroorzaakte atmosferische brandschade zou de
total lossschade van de reeds door brand aangetaste onderdelen niet hebben voorkomen. Ook is nog betoogd dat het aanzetten van deze blusinstallatie het laatste redmiddel is, dat wordt ingezet vlak voordat de bemanning van boord gaat.
5.8.4.
Werkina heeft in reactie op de betwisting van Orisant c.s. geen nadere argumenten aangevoerd of nader uitgelegd waarom toch van de kapitein of bemanning gevergd kon worden dat zij de CO2 blusinstallatie zouden inzetten. Ook heeft zij geen nadere stellingen ingenomen als reactie op de door Orisant c.s. omschreven schade of gevolgen van de atmosferische en elektrische brand, terwijl de door Werkina ingeschakelde deskundige Biesboer Expertise) ook niet (nader) ingaat op dit onderscheid. Hierdoor heeft Werkina haar eigen schuld verweer naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Het verweer slaagt niet.
5.9.
Kan Werkina zich beroepen op derdenwerking van exoneraties?
5.9.1.
Werkina voert het bevrijdende verweer dat haar in het kader van derdenwerking een beroep toekomt op exoneratiebedingen in de hoofdaannemingsovereenkomst (tussen IHC Holland en IHC Finance), in de Metaalunievoorwaarden, in de IHC
General Purchase Conditionsen op grond van de tussen IHC Holland en DC Orisant B.V., DC Orisant C.V. en IHC Finance gesloten vaststellingsovereenkomst bij oplevering van het schip.
5.9.2.
Orisant c.s. hebben weersproken dat Werkina zich op de door haar genoemde exoneraties kan beroepen. Zij hebben onder andere betoogd dat een beroep op enig exoneratiebeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat de schade het gevolg is van bewuste roekeloosheid aan de zijde van Werkina.
5.9.3.
De rechtbank houdt haar beslissing aan tot na het deskundigenbericht omdat zij dit nodig heeft om te kunnen beoordelen of er sprake is van bewuste roekeloosheid aan de zijde van Werkina.
5.10.
De schadeposten van Orisant c.s.
5.10.1.
Orisant c.s. hebben het volgende schematische schadeoverzicht overgelegd:
5.10.2.
De rechtbank gaat hierna alvast in op de volgende door Orisant c.s. aangevoerde punten:
1) de gederfde charterinkomsten;
2) het eigen risico;
3) de hogere verzekeringspremie tot en met 2024;
4) de hogere verzekeringspremie vanaf 2024;
5) de opgevoerde aftrekposten;
6) het gevorderde schadebedrag van € 66.014,88 (schade van DCI).
5.10.3.
De beslissing over de overige schade (onder meer de door Orisant c.s. gevorderde expertisekosten) en de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure voor schadevergoeding aan DCI, wordt aangehouden.
ad 1) de gemiste charterinkomsten
5.10.4.
Ter onderbouwing van de gemiste charterinkomsten stellen Orisant c.s. kort samengevat het volgende. Op grond van de tijdbevrachtingsovereenkomst met DCI werd uitgegaan van een inzet van het schip door DCI voor minstens 135 uur per week. Volgens Orisant c.s. moet gekeken worden naar hoeveel uur er gemiddeld onder de tijdbevrachtingsovereenkomst per week voor het schip in rekening werd gebracht tijdens representatieve periodes. Het schip kon in de periode dat de schade moest worden gerepareerd niet worden ingezet en kon niet ter beschikking worden gesteld aan DCI. Het incident vond 1,5 maand na de oplevering plaats. Voor de berekening van de gemiddelde charterinkomsten voor het incident, is de periode van 1,5 maand ervoor niet representatief. Voorts is het schip eind 2020 en begin 2021 uit de vaart geweest in verband met een volledige hermotorisatie, die veel tijd heeft gekost. Orisant c.s. hebben daarom de jaren 2022, 2023 en 2024 als basis genomen voor de berekening van het gemiddelde aantal uren per week dat de charter fees onder de tijdbevrachtingsovereenkomst aan DCI konden worden doorbelast omdat het schip toen kon worden ingezet. In deze periode kon het schip op een normale manier worden geëxploiteerd.
5.10.5.
Werkina betwist dat de gemiste charterinkomsten op de door Orisant c.s. gestelde wijze moeten worden berekend.
5.10.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor het geval vast komt te staan dat Werkina onrechtmatig heeft gehandeld als een gevolg waarvan zij schade aan Orisant c.s. moet vergoeden, is op zich niet in geschil dat Orisant C.V. charterinkomsten heeft gederfd omdat zij het schip tijdens de stilligperiode niet onder de tijdbevrachtingsovereenkomst aan DCI ter beschikking kon stellen. Partijen twisten over de berekeningswijze ervan en de door Orisant c.s. gestelde hoogte van deze schadepost.
5.10.7.
Als in de praktijk gebruikelijk uitgangspunt geldt dat geleden tijdverlet moet worden berekend door het aantal verletdagen te vermenigvuldigen met het gemiddelde netto dagbedrag in de drie maanden voorafgaande aan het incident en de drie maanden na de reparaties aan het schip. Die periodes hebben in de regel als representatieve periodes te gelden bij de begroting van gemiste omzet of inkomsten na de reparatie van een schip na een aanvaring of ander incident waarvoor een andere partij aansprakelijk is.
5.10.8.
Voor deze zaak betekent dit dat vastgesteld moet worden hoeveel uur gemiddeld onder de tijdbevrachtingsovereenkomst per week voor het schip in rekening werd gebracht in de 1,5 maand voor het incident van 11 januari 2019 en drie maanden na de reparatie van het schip. Orisant c.s. hebben hun berekening echter, vanwege het feit dat het schip voor het incident nog maar ongeveer 1,5 maand in de vaart was en het schip in 2020/2021 ook heeft stilgelegen vanwege de hermotorisatie, gebaseerd op de jaren 2022 tot en met 2024, stellende dat met een langere periode als uitgangspunt, de schade nauwkeuriger te begroten is.
5.10.9.
Dat is naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste manier om de gemiste charterinkomsten te begroten. Dat het schip op het moment van het incident nog maar 1,5 maand in de vaart was en nog niet drie maanden, is geen reden om bij de berekening van hele andere periodes uit te gaan, die enkele jaren na de oplevering van het schip liggen. Het gaat er bij de gebruikelijke manier van begroting van de tijdverletschade immers niet om dat de schade wordt berekend aan de hand van de meest ideale periode waarin een schip is geëxploiteerd maar dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de (markt)situatie en conditie van het schip als het incident zich niet zou hebben voorgedaan. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank bij de begroting van de gemiste charterinkomsten uitgaan van de periode van zes weken voor het incident.
5.10.10.
Voor de periode na de reparatie geldt dat uit de stellingen van Orisant c.s. volgt dat het schip tot en met week 23 van 2019 sterk verminderd inzetbaar was door gevolgen van de brand en gedurende die tijd geen of weinig charterhuur in rekening kon worden gebracht bij DCI. Na week 23 zijn er nog meerdere weken geweest waarin volgens Orisant c.s. het aantal doorbelaste charter-uren achterbleef bij het gemiddelde van 143,7 uur per week omdat deze mindere uren verband hielden met slechte weersomstandigheden (waaronder het schip niet kon worden geëxploiteerd) en reparaties waarvan Orisant c.s. achteraf niet meer zeker kunnen stellen dat deze het gevolg waren van het incident van 11 januari 2019. Tegen het licht van de in de vorige rechtsoverweging genoemde ratio zijn deze omstandigheden onvoldoende om deze periode niet als referentieperiode te kunnen gebruiken. De rechtbank oordeelt dan ook dat bij de begroting van de gemiste charterinkomsten moet worden uitgegaan van dertien weken na week 23 van 2019.
5.10.11.
Orisant c.s. hebben geen toelichting en/of onderbouwing gegeven van de doorbelaste wekelijkse charter-uren in de periode zes weken voor het incident en in de periode van 13 weken vanaf week 24 van 2019. Omdat het evident is dat Orisant C.V. charterinkomsten is misgelopen en dat gegeven op zichzelf niet in geschil is, zullen Orisant c.s. in de gelegenheid worden gesteld om hier schriftelijk en onderbouwd (in de conclusie na het deskundigenbericht, zie r.o. 5.13.2) opgave van te doen. Werkina zal hierop schriftelijk mogen reageren.
ad 2) het eigen risico
5.10.12.
Het eigen risico van Orisant C.V. van € 25.000,- is niet in geschil. Deze schadepost zal in voorkomend geval als onbetwist worden toegewezen.
ad 3) de hogere verzekeringspremie tot en met 2024
5.10.13.
Orisant c.s. vorderen betaling van € 631.250,00, bestaande uit de premieverhogingen onder de cascopolis waaronder de verzekeraars hebben uitgekeerd voor de schade aan het schip. Het verzekeringsjaar begint op 13 november van een bepaald jaar en loopt tot en met 12 november van het jaar daarop. De premieverhoging per 13 november 2019 van € 252.500,- naar € 378.750,- per jaar is volledig terug te voeren op de brandschade. Deze verhoging van € 126.250,- is in de daaropvolgende jaren steeds gehandhaafd en is terug te voeren op de brand aan boord van het schip op 11 januari 2019.
5.10.14.
De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost van Orisant C.V. voldoende is onderbouwd en de daartegen gerichte betwistingen van Werkina niet opgaan.
5.10.15.
Orisant c.s. hebben gemotiveerd toegelicht dat de premieverhoging van € 126.250,- onder de cascopolis vanaf het jaar waarin het incident zich heeft voorgedaan (2019) steeds is gehandhaafd en in de opvolgende jaren ook in rekening is gebracht bij Orisant C.V. In dat verband hebben Orisant c.s. voldoende gemotiveerd toegelicht dat deze verhoging sinds 2019 alleen zag op de schade-uitkering na de brand, en dat in dit onderdeel van de vordering geen andere premieverhogingen zijn meegenomen. Onder verwijzing naar een overzicht van de premieverhogingen van 2019 tot en met 2024 hebben Orisant c.s. voldoende gemotiveerd toegelicht dat de andere premieverhogingen het gevolg waren van indexering en van de hermotorisatie van het schip in 2020/2021.
5.10.16.
Het standpunt van Werkina dat eerst moet worden aangetoond dat Orisant C.V. deze schade niet kon claimen onder een scheepsaanbouwverzekering, wordt verworpen omdat Orisant c.s. al hebben toegelicht dat onder die verzekering geen dekking werd verleend.
5.10.17.
Ook gaat de rechtbank voorbij aan het standpunt van Werkina dat Orisant C.V. het schip mogelijk bij andere verzekeraars had kunnen laten verzekeren tegen een gunstigere premie. Bij het overstappen naar een andere verzekeraar zou ook naar waarheid opgave moeten zijn gedaan van eerdere grote incidenten met het schip, wat ook bij een nieuwe verzekeraar wordt verdisconteerd in de te betalen premie. Het ligt daarom niet voor de hand dat Orisant C.V. door een nieuwe cascoverzekering af te sluiten bij een andere verzekeraar een aanzienlijk lagere premie zou hoeven te betalen dan nu het geval is geweest.
5.10.18.
Dat betekent dat de rechtbank deze schadepost in een eindvonnis zal toewijzen voor € 631.250,00.
ad 4) de hogere verzekeringspremie vanaf 2024
5.10.19.
Orisant c.s. vorderen betaling aan Orisant C.V. van de verhoogde verzekeringspremie voor de casco-dekking. Zij meent dat het redelijk is om voor de vaststelling van deze toekomstige schade uit te gaan van de premieverhoging van € 126.250,- per jaar voor de komende 5 verzekeringsjaren – vanaf november 2024 gerekend. Verder meent zij dat het redelijk is vervolgens voor de daaropvolgende 5 verzekeringsjaren (naar de rechtbank begrijpt: 5 verzekeringsjaren gerekend vanaf november 2029) uit te gaan van de helft van dat bedrag, dus € 63.125,- per verzekeringsjaar. Op grond hiervan wordt een vergoeding van (5 x € 126.250,-) + (5 x € 63.125,-) = € 946.875,- gevorderd.
5.10.20.
Orisant c.s. lijken er vanuit te gaan dat zij pas tien jaar na het incident, dus in 2029, een premiereductie verwachten. Hoewel de rechtbank kan aannemen dat de premieverhoging enkele jaren doorwerkt, is het in beginsel niet voorstelbaar dat dit voor een (veel) langere periode dan 5 jaar doorwerkt. Dat is ook niet te rijmen met de door Orisant c.s. zelf geciteerde berichten van verzekeringsmakelaars, waarin is benoemd dat een schadestatistiek moet worden gepresenteerd van de afgelopen 5 jaren. Orisant c.s. krijgen de gelegenheid om zich hierover nader bij akte uit te laten (als vermeld onder r.o. 5.13.2). Werkina mag daar dan vervolgens schriftelijk op reageren.
ad 5) de door Orisant C.V. opgevoerde aftrekposten
5.10.21.
In het onder 5.10.1 opgenomen schadeoverzicht hebben Orisant c.s. meerdere aftrekposten benoemd, waaronder een bedrag van € 197.632,05 voor de 7 dagen reparatietijd die sowieso nodig zou zijn geweest om de schade aan het schip door (alleen) de kortsluiting te laten repareren. Dit is de stilligschade die sowieso als gevolg van de kortsluiting zou zijn ontstaan, ook in het geval de differentiaalbeveiliging zou hebben gewerkt. Orisant c.s. verwijzen naar een brief van Eelsing Expertises van 19 maart 2024. Daarin is ingeschat dat de omvang van de herstelkosten en de met het herstel gemoeide tijd in de hypothetische situatie dat de schakelkast van paneel 10 van generator 3 zou zijn voorzien van een functionerende differentiaal beveiliging, neerkomt op € 25.000,- respectievelijk 1 week.
5.10.22.
Werkina heeft dit gemotiveerd bestreden.
5.10.23.
De rechtbank heeft, gelet op de technische aard van het incident, ook behoefte aan voorlichting door een of meerdere deskundigen over de omvang van de herstelkosten en hersteltijd. Verwezen wordt naar r.o. 5.12.1 tot en met 5.12.3.
5.10.24.
Een beslissing op de overige opgevoerde aftrekposten wordt aangehouden.
ad 6) het schadebedrag van € 66.014,88 van DCI zal worden afgewezen
5.10.25.
Orisant c.s. vorderen (onder meer) betaling van € 66.014,88 aan DCI, zijnde de stilligtijd van 48 uur na het incident die op grond van de tijdbevrachtingsovereenkomst door Orisant C.V. bij DCI in rekening is gebracht.
5.10.26.
Uit de standpunten van Orisant c.s. volgt echter al dat dit bedrag niet kan worden toegewezen. Orisant c.s. hebben namelijk, en daar wijst Werkina terecht op, gesteld dat van de eerste week waarin het schip heeft stilgelegen geen tijdverlet kan worden gevorderd. Ook als de differentiaalbeveiliging bij de kortsluiting van 11 januari 2019 in werking was getreden, dan zou er enige schade door de kortsluiting zijn geweest en dan zou het schip volgens Orisant c.s. een week stil hebben gelegen. Daaruit volgt dat dit onderdeel van de vordering bij eindvonnis zal worden afgewezen.
5.11.
de rechtbank ziet aanleiding om een eventueel toe te wijzen schadevergoeding te matigen (6:109 BW)
5.11.1.
Werkina betoogt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als Werkina als onderaannemer aansprakelijk kan worden gehouden voor in de hoofdaannemingsovereenkomst uitgesloten gevolgschade. Dit argument leest de rechtbank in het kader van haar bevrijdende verweer, dat de vorderingen van Orisant c.s. in elk geval aanzienlijk moeten worden gematigd op grond van artikel 6:109 BW Pro.
5.11.2.
Orisant c.s. weerspreken dat in deze zaak aanleiding tot matiging van de schadevergoedingsplicht bestaat. Zij wijzen op het uitgangspunt dat een benadeelde de geleden schade integraal vergoed moet krijgen. Dat Werkina niet is verzekerd voor gevolgschade (tijdverlet en dergelijke) is haar eigen keuze geweest. Werkina is aan boord van schepen werkzaam en het is daarom onbegrijpelijk waarom zij geen polis heeft afgesloten waarin deze schade is gedekt. Voorts is niet onderbouwd dat Werkina in financieel zwaar weer terecht komt als zij de schadevergoeding van Orisant c.s. zou moeten betalen, te meer niet omdat uit de gepubliceerde jaarcijfers blijkt dat zij een winst van bijna € 10.000.000,- heeft gegenereerd. Ten slotte is de mate van schuld zo ernstig, dat een matiging van de daardoor ontstane schade misplaatst zou zijn.
5.11.3.
De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de bevoegdheid om een schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:109 BW Pro te matigen, een discretionaire bevoegdheid is. De te hanteren maatstaf is of toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden zou leiden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen. Daarbij dient een afweging plaats te vinden van de belangen en alle overige omstandigheden die aan de zijde van beide partijen bestaan (dat volgt uit, onder meer: MvA II,
Parl. Gesch. BW Boek 61981, p. 450; HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1991:ZC2913 en HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1384).
5.11.4.
De rechtbank acht eerst van belang dat de vorderingen van Orisant c.s. tegen IHC Holland – waarin zij ook vergoeding van gevolgschade hadden gevorderd – in de tussen hen gevoerde UNUM-arbitrage zijn afgewezen. Die vorderingen tegen de hoofdaannemer (IHC Holland) zijn gestrand op grond van (bepalingen in) de vaststellingsovereenkomst tussen (voor zover relevant) Orisant c.s. en IHC Holland die bij oplevering van het schip is gesloten. Die vaststellingsovereenkomst bevat de volgende voor deze zaak relevante bepalingen:
“1.13 Een buitencontractuele vordering van de Vennootschap dan wel de Beherend Vennoot op Commanditaire Vennoot dan wel IHC Holland B.V. voor schade of boetes als gevolg van de beweerdelijke te late levering of inbreng is uitgesloten.
(…)
1.14
Met ondertekening van deze Overeenkomst wordt de sleephopperzuiger door de Vennootschap definitief geaccepteerd.
(…)
2.6
Na inbreng van de sleephopperzuiger is de Commanditaire Vennoot (…) op geen enkele wijze aansprakelijk jegens de Vennootschap en/of de Beherend Vennoot met betrekking tot de verlate inbreng van het schip alsmede met betrekking tot de staat waarin het schip verkeert bij inbreng. De Beherend Vennoot een de Vennootschap doet dan ook afstand van enig recht dat zij zou hebben uit hoofde van de Inbrengovereenkomst en de CV overeenkomst dan wel anderszins om schadevergoeding te vorderen van de Commanditaire Vennoot met betrekking tot de toestand en/of prestaties van de sleephopperzuiger.
(…)
4.1
DC Industrial N.V. accepteert de sleephopperzuiger in haar huidige conditie onvoorwaardelijk overeenkomstig de voorwaarden van de tijdbevrachtingsovereenkomst (…).
4.3
DC Industrial N.V. doet uitdrukkelijk afstand van enig recht dat het mogelijk heeft op grond van de tijdbevrachtingsovereenkomst of anderszins om schadevergoeding te vorderen van de Vennootschap, de Beherend Vennoot en/of de Commanditaire Vennoot aangaande de levering van de sleephopperzuiger en de conditie van dit schip op het moment van levering.”
5.11.5.
Hieruit volgt dat Orisant c.s. het schip destijds hebben geaccepteerd in de staat waarin het werd geleverd en dat het vorderen van enige schadevergoeding met betrekking tot de levering en conditie van het schip op het moment van de oplevering is uitgesloten.
5.11.6.
Gelet op deze omstandigheden – hoofdaannemer IHC Holland ontspringt volledig de dans, vanwege de afspraken die zij ter bescherming van haar eigen belangen heeft vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst – acht de rechtbank het onaanvaardbaar om de geleden schade volledig voor rekening te laten komen van onderaannemer Werkina. De argumenten die Orisant c.s. tegen het beroep op matiging hebben aangevoerd, brengen daarin geen verandering.
5.11.7.
De rechtbank is dus van oordeel dat toekenning van een volledige schadevergoeding, als Werkina daartoe zou worden veroordeeld, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zal leiden. Dat betekent dat het beroep van Werkina op matiging op grond van artikel 6:109 BW Pro slaagt. In welke mate de rechtbank zal matigen hangt echter ook af van de mate van schuld van Werkina. De rechtbank zal daarom pas na het deskundigenbericht beslissen in welke mate de wettelijke verplichting tot schadevergoeding van Werkina gematigd dient te worden.
5.12.
de rechtbank benoemt een of meerdere deskundigen en formuleert de volgende vragen; partijen mogen zich daarover uitlaten bij akte
5.12.1.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat aan de deskundige(n) de volgende vragen dienen te worden voorgelegd:
Wat was het doel van de differentiaalbeveiliging, in het bijzonder de AVR, en tegen welk gevaar of incident binnen en/of buiten het beveiligde gebied van de elektrotechnische installatie op het schip moest de differentiaalbeveiliging bescherming bieden?
Was er een kans dat de differentiaalbeveiliging – als de doorlussing ongedaan was gemaakt en de passende stroomspoelen op de
busbarsin de schakelkasten waren geïnstalleerd – in werking was getreden bij de kortsluiting zoals die is opgetreden op 11 januari 2019, buiten het door de differentiaalbeveiliging beveiligd gebied?
Betrek bij beantwoording van deze vraag in ieder geval:
a) of de differentiaalbeveiliging bij een kortsluiting meteen, ondanks de tijdsinstelling van 5 seconden, de generator zou hebben afgeschakeld; en
b) of de kortsluiting, vanwege de tijdsinstelling, te kort heeft geduurd om de differentiaalbeveiliging in werking te laten treden;
Welke schade zou hoe dan ook als gevolg van de kortsluiting zijn ontstaan bij een functionerende differentiaalbeveiliging? Wat zouden daarvan de herstelkosten en hersteltijd zijn geweest?
Zijn er nog andere onderwerpen die de deskundige bij de beoordeling van belang acht?
5.12.2.
Partijen worden in de gelegenheid gesteld om gezamenlijk tot een voorstel voor een als deskundige te benoemen persoon of meerdere als deskundigen te benoemen personen te komen. Mochten partijen daarin niet slagen dan zal de rechtbank daarover beslissen. Partijen krijgen verder de gelegenheid om zich uit te laten over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. De rechtbank geeft partijen in overweging om daarover overeenstemming te bereiken. De rechtbank zal de zaak daartoe voor het gelijktijdig nemen van een akte door partijen verwijzen naar de rol.
5.12.3.
Orisant c.s. dragen de bewijslast van de gestelde onrechtmatige gevaarzetting, het gestelde causaal verband tussen het door Werkina doorlussen van de relais van de differentiaalbeveiliging en de opgetreden schade, alsmede van de hoogte van de schade. Daarom zal de rechtbank bepalen dat zij het voorschot voor de kosten van het deskundigenbericht moeten betalen. De rechtbank wijst partijen er uitdrukkelijk op dat de definitieve deskundigenkosten uiteindelijk bij eindvonnis worden bepaald.
5.13.
voortgang van de procedure
5.13.1.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van de aktes als bedoeld onder r.o. 5.12.2.
5.13.2.
De rechtbank zal de zaak op een later moment naar de rol verwijzen om Orisant c.s. de gelegenheid te geven voor het nemen van de onder r.o. 5.10.11 en 5.10.20 bedoelde akte over de door Orisant C.V. gevorderde gemiste charterinkomsten en de gevorderde toekomstige premieverhogingen. Het komt de rechtbank praktisch voor als Orisant c.s. deze punten behandelt in de te nemen conclusie na het deskundigenbericht. Werkina zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om daarop bij antwoordconclusie te reageren.
5.13.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van
13 mei 2026voor akte uitlaten partijen over de persoon/personen van de deskundige en de aan de deskundige(n) te stellen vragen;
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema, mr. C. Sikkel en mr. D.L. Spierings, bijgestaan door mr. B. Meeuwisse-den Boer en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
[3266/32/1573/2459]