Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4497

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/10/668374 / HA ZA 23-969 en C/10/616243 / HA ZA 21-308
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019h RvArt. 1019ie RvArt. 6:162 BWArt. 6:98 BWArt. 6:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen en proceskostenveroordeling in intellectueel eigendomsrechtelijke procedure met onrechtmatige beslaglegging

De rechtbank Rotterdam heeft in twee aan elkaar verbonden civiele zaken geoordeeld over geschillen tussen Ravestein B.V. en de buitenlandse rechtspersonen MacGregor Cargotec Corporation en MacGregor Sweden AB. De procedure betreft intellectueel eigendomsrecht en onrechtmatige beslaglegging.

In zaak 23-969 zijn de vorderingen van Ravestein afgewezen en is zij veroordeeld tot betaling van proceskosten aan Cargotec. In zaak 21-308 zijn eveneens de vorderingen van Ravestein afgewezen en is zij veroordeeld tot betaling van proceskosten aan MacGregor. Tevens is in reconventie vastgesteld dat Ravestein onrechtmatig heeft gehandeld door het leggen en handhaven van conservatoir beslag op de Linkspan Calais 10, en is zij veroordeeld tot schadevergoeding, nader te bepalen in een schadestaatprocedure.

De rechtbank heeft het gevorderde voorschot op schadevergoeding afgewezen vanwege onvoldoende duidelijkheid over de omvang van de schade. Diverse schadeposten, waaronder juridische kosten, extra huur- en opslagkosten, personeelskosten, interne kosten en kosten voor het stellen van zekerheid, zijn door Ravestein gemotiveerd betwist. De proceskosten zijn begroot op basis van indicatietarieven voor intellectueel eigendomsrechtelijke zaken en liquidatietarieven.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en bevat een uitgebreide proceskostenveroordeling. De procedure wordt voortgezet in een schadestaatprocedure voor de vaststelling van de omvang van de schade.

Uitkomst: Vorderingen van Ravestein worden afgewezen; Ravestein is aansprakelijk voor schade door onrechtmatige beslaglegging en veroordeeld tot proceskostenbetaling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
Vonnis in gevoegde zaken van 8 april 2026
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 668374 / HA ZA 23-969
(voorheen zaaknummer / rolnummer C/10/604545 / HA ZA 20-908) van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RAVESTEIN B.V.,
gevestigd te Deest,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. M.R. Ruygvoorn te Utrecht,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
MACGREGOR CARGOTEC CORPORATION (CARGOTEC OYJ),
gevestigd te Helsinki, Finland,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. N.M. Kok te Amsterdam,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/616243 / HA ZA 21-308 van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RAVESTEIN B.V.,
gevestigd te Deest,
eiseres,
advocaat mr. M.R. Ruygvoorn te Utrecht,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
MACGREGOR SWEDEN AB,
gevestigd te Göteborg, Zweden,
gedaagde,
advocaat mr. N.M. Kok te Amsterdam.
Partijen worden hierna Ravestein, Cargotec en MacGregor genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 3 september 2025 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
  • de (aangepaste) antwoordakte uitlaten schadeopstelling van Ravestein.
1.2.
Op 12 november 2025 heeft Ravestein een antwoordakte genomen. MacGregor heeft daartegen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft deze antwoordakte vanwege haar omvang geweigerd en Ravestein in de gelegenheid gesteld om een nieuwe, kortere, antwoordakte in te dienen. Ravestein heeft dat op 3 december 2025 gedaan. De aangepaste antwoordakte maakt deel uit van het procesdossier.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling in zaak 23-969

In conventie

2.1.
Zaak 23-969 betreft de procedure tussen Ravestein en Cargotec. Zoals in het tussenvonnis van 1 juni 2022 al is overwogen, zijn partijen het erover eens dat niet Cargotec, maar MacGregor als wederpartij van Ravestein moet worden aangemerkt. Partijen hebben tijdens de zitting op 16 februari 2022 ingestemd met het voorstel om (te zijner tijd) de vorderingen tegen Cargotec af te wijzen en alle stellingen en stukken uit de procedure tegen Cargotec als aangevoerd/overgelegd in de procedure tegen MacGregor te beschouwen.
2.2.
De afwijzing van de vorderingen tegen Cargotec wordt in dit eindvonnis in de beslissing opgenomen. Ook wordt in dit eindvonnis beslist over de proceskosten in zaak
23-969.
2.3.
Omdat Ravestein in het ongelijk wordt gesteld, moet zij de proceskosten betalen. De rechtbank begroot de proceskosten van Cargotec op € 4.131,00 (het door haar betaalde griffierecht). In de omstandigheden van het geval ziet de rechtbank aanleiding om de advocaatkosten in conventie alleen te rekenen in de zaak tegen MacGregor.
2.4.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.5.
Het vonnis wordt, zoals gevraagd door Cargotec, uitvoerbaar bij voorraad verklaard ten aanzien van de proceskostenveroordeling.
In reconventie
2.6.
De vordering in reconventie, die door Cargotec voor zichzelf en op basis van lastgeving voor MacGregor is ingesteld, is/wordt behandeld in zaak 21-308. In zaak 23-969 staat vast, dat Cargotec geen partij was bij de contractuele verhouding op grond van welke het beslag is gelegd. Haar vorderingen tot vergoeding van schade zijn niet gegrond op de stelling dat zij als derde schade heeft. Dat betekent dat die vorderingen in zoverre als voorwaardelijk ingesteld – voor het geval de rechtbank zou menen dat Cargotec wel partij was – moeten worden beschouwd. Omdat die voorwaarde niet is vervuld behoeven zij geen bespreking.

3.De beoordeling in zaak 21-308 in conventie

3.1.
In het tussenvonnis van 3 september 2025 is geoordeeld dat alle vorderingen van Ravestein in conventie zullen worden afgewezen. Dat oordeel wordt in dit eindvonnis in de beslissing opgenomen. In dit eindvonnis wordt ook een oordeel gegeven over de proceskosten in conventie.
De proceskosten in de hoofdzaak
3.2.
Omdat Ravestein in het ongelijk wordt gesteld, moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
3.3.
Het door MacGregor betaalde griffierecht bedraagt € 4.200,00.
3.4.
Wat betreft de advocaatkosten maakt MacGregor aanspraak op vergoeding van haar volledige kosten op grond van artikel 1019h Rv, artikel 1019ie Rv en artikel 6:162 BW Pro. In het tussenvonnis van 3 september 2025 is al geoordeeld dat van onrechtmatig procederen geen sprake is en dat de werkelijk gemaakte proceskosten dus niet toewijsbaar zijn op grond van artikel 6:162 BW Pro. Beoordeeld moet nog worden of er reden is een reële proceskostenveroordeling toe te wijzen op de voet van de artikelen 1019h en/of 1019ie Rv.
Artikel 1019h Rv
3.5.
Een deel van de vorderingen in deze procedure heeft betrekking op handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv Pro. De rechtbank zal een derde deel toeschrijven aan deze IE-rechtelijke grondslag.
3.6.
De rechtbank ziet aanleiding om bij de vraag of en in hoeverre sprake is van redelijke en evenredige kosten aansluiting te zoeken bij de indicatietarieven in IE-zaken (versie 1 februari 2026). Dat er reden zou zijn om van deze tarieven af te wijken is onvoldoende onderbouwd door MacGregor gesteld en ook niet gebleken. In de indicatietarieven is voor “normale” bodemzaken als de onderhavige een maximumbedrag genoemd van € 21.000,00. Van dit bedrag zal een derde worden toegewezen aan het IE-deel van de procedure, te weten € 7.000,00. Dat tot tenminste dat bedrag kosten zijn gemaakt is voldoende gebleken.
Artikel 1019ie Rv
3.7.
Een deel van de vorderingen heeft betrekking op schending van bedrijfsgeheimen. Ook aan deze grondslag zal de rechtbank een derde deel toeschrijven.
3.8.
Volgens MacGregor heeft zij in dit kader recht op een volledige proceskostenveroordeling op basis van artikel 1019ie Rv. De rechtbank acht dat standpunt niet juist. Zoals al is geoordeeld in het tussenvonnis van 1 juni 2022, zijn de Wet bescherming bedrijfsgeheimen en de aan die wet ten grondslag liggende EU-richtlijn (2016/943) in dit geval niet van toepassing. Dat betekent dat ook artikel 1019ie Rv niet van toepassing is op deze procedure. Titel 15a Rv, waar artikel 1019ie Rv deel van uitmaakt, is op grond van artikel 1019ia Rv immers alleen van toepassing op gerechtelijke procedures tot bescherming van bedrijfsgeheimen ingevolge de Wet bescherming bedrijfsgeheimen. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat in een procedure over bedrijfsgeheimen slechts in uitzonderingsgevallen een volledige proceskostenvergoeding wordt uitgesproken. Dat in dit geval sprake zou zijn van zo’n uitzonderingsgeval is onvoldoende onderbouwd door MacGregor gesteld en ook niet gebleken.
3.9.
De proceskosten voor dit deel van de vorderingen zullen dus worden begroot volgens het liquidatietarief. Dit wordt hierna verder uitgewerkt.
Artikel 237 Rv Pro
3.10.
Het resterende deel van de vorderingen (ook een derde deel) heeft betrekking op slaafse nabootsing en onrechtmatig profiteren van wanprestatie. De proceskosten voor dit deel zullen eveneens worden begroot volgens het liquidatietarief. Samen met het deel dat betrekking heeft op de schending van bedrijfsgeheimen gaat het dus om twee derde deel.
3.11.
Het toepasselijke liquidatietarief bedraagt € 4.631,00. Bij dit tarief geldt geen maximum puntental. Vermenigvuldigd met 6 punten levert dat een bedrag op van € 27.786,00. Twee derde daarvan en dus € 18.524,00 is toewijsbaar voor wat betreft het niet-IE-deel van de vorderingen.
Conclusie ten aanzien van de proceskosten in de hoofdzaak
3.12.
De proceskosten van MacGregor worden dus begroot op:
- griffierecht
4.200,00
- salaris advocaat IE-deel
7.000,00
- salaris advocaat niet-IE-deel
18.524,00
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
29.872,00
3.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.14.
Het vonnis wordt, zoals gevraagd door MacGregor, uitvoerbaar bij voorraad verklaard ten aanzien van de proceskostenveroordeling.
De proceskosten in de 843a (oud) Rv-incidenten
3.15.
In de tussenvonnissen van 6 december 2023 en 27 november 2024 is de beslissing over de proceskosten in de 843a (oud) Rv-incidenten aangehouden. In dit eindvonnis wordt ook daarover beslist.
3.16.
Ravestein is in de 843a (oud) Rv-incidenten in het gelijk gesteld. MacGregor zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van Ravestein, die worden begroot op:
- salaris advocaat
2.285,50
(3,5 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.474,50
3.17.
Het vonnis wordt, zoals gevorderd door Ravestein, uitvoerbaar bij voorraad verklaard ten aanzien van de proceskostenveroordeling.

4.De beoordeling in zaak 21-308 in reconventie

4.1.
In het tussenvonnis van 3 september 2025 is geoordeeld dat voor recht zal worden verklaard dat Ravestein onrechtmatig jegens MacGregor c.s. heeft gehandeld door het leggen (op 29 juni 2020) en handhaven (tot 14 augustus 2020) van conservatoir verhaalsbeslag op de Linkspan Calais 10. In dat vonnis is beslist dat Ravestein zal worden veroordeeld in de door MacGregor c.s. geleden schade, op te maken bij staat.
4.2.
Beoordeeld moet nog worden of het door MacGregor c.s. gevorderde voorschot op de schadevergoeding van € 2.500.000,00 (of een lager door de rechtbank vast te stellen bedrag) toewijsbaar is. In het tussenvonnis van 3 september 2025 is Ravestein in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de schadeopstelling van MacGregor c.s. Ravestein heeft dat bij akte gedaan.
4.3.
In haar akte voert Ravestein het volgende algemene verweer aan tegen alle schadeposten. Volgens Ravestein leidt het bijzondere feitencomplex er in dit geval toe dat:
(1) er sprake is van een rechtvaardigingsgrond waardoor Ravestein als beslaglegger niet aansprakelijk is voor de door het beslag vermeend geleden schade.
Bovendien leidt dit feitencomplex ertoe dat (2) Ravestein in het algemeen betwist dat MacGregor schade heeft geleden als gevolg van het beslag, althans (3) dat de vermeende schade in csqn-verband staat met de beslaglegging. Voor zover MacGregor al schade zou hebben geleden als gevolg van het beslag, (4) staat deze in een te ver verwijderd verband met de beslaglegging en kan deze ex artikel 6:98 BW Pro niet aan Ravestein worden toegerekend, (5) heeft deze niet de door MacGregor gestelde omvang, althans had zij (6) die schade eenvoudig kunnen, en gelet op artikel 6:101 BW Pro ook moeten voorkomen, aldus Ravestein.
4.4.
Ravestein baseert het onder 4.3 genoemde verweer op de volgende stellingen:
  • (i) Het beslag heeft geen doel getroffen, omdat de Linkspan Calais 10 geen eigendom was van Cargotec. De linkspan had daarom ondanks het beslag op de geplande datum de haven kunnen verlaten en kunnen worden vervoerd naar Calais.
  • (ii) Er is geen sprake geweest van een aangepaste planning als gevolg van het beslag. De stellingen van MacGregor c.s. over de planning kloppen niet met de overgelegde stukken, zijn niet consistent en op geen enkele manier onderbouwd. Ravestein betwist dat de oorspronkelijke vervoersdatum 16 juli 2020 was. Als er al vertraging is opgelopen, dan had die volgens haar niets te maken met het beslag.
4.5.
Zoals al is overwogen in het tussenvonnis van 3 september 2025, hebben MacGregor c.s. tegenover deze stellingen van Ravestein voldoende aannemelijk gemaakt dat het mogelijk is dat zij als gevolg van het op 29 juni 2020 gelegde en tot 14 augustus 2020 gehandhaafde beslag schade hebben geleden. Dat is voldoende voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Datgene wat Ravestein in haar akte naar voren heeft gebracht vormt geen aanleiding voor de rechtbank om terug te komen op de wat dat betreft al gegeven bindende eindbeslissing. Voldoende aannemelijk is geworden dat MacGregor c.s. in elk geval in feitelijke zin door het beslag zijn gehinderd. Tot welke schade dat precies heeft geleid, kan in de schadestaatprocedure aan de orde komen.
4.6.
Het door MacGregor c.s. gevorderde voorschot wordt echter afgewezen. Voor toewijzing van een voorschot op de schadevergoeding is vereist dat, gegeven de beschikbare gegevens, duidelijk is dat MacGregor c.s. door het onrechtmatig handelen van Ravestein schade lijden tot tenminste het als voorschot toe te wijzen bedrag. Gelet op het verweer van Ravestein kan in deze procedure niet worden vastgesteld en kan evenmin met de vereiste, hoge, mate van waarschijnlijkheid worden ingeschat tot welk bedrag MacGregor c.s. tenminste schade hebben geleden. Een nadere schriftelijke ronde of bewijslevering acht de rechtbank niet efficiënt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de procedure al lange tijd loopt (de dagvaarding in de procedure tegen Cargotec is uitgebracht op 10 augustus 2020 en de dagvaarding in de procedure tegen MacGregor op 9 maart 2021) en dat het schadedebat verder kan worden gevoerd in de schadestaatprocedure. De rechtbank merkt daarbij op dat in de rede ligt dat in de schadestaatprocedure bewijslevering aan de orde zal komen.
4.7.
De rechtbank zal dit oordeel hierna toelichten aan de hand van de verschillende door MacGregor c.s. opgevoerde schadeposten.
4.8.
Volgens MacGregor c.s. bestaat de schade als gevolg van het beslag uit de volgende posten:
a. Juridische kosten
€ 119.999,73
b. Extra huur- en opslagkosten
€ 903.073,94
c. Extra personeels- en huisvestingskosten
€ 376.730,01
d. Interne kosten
€ 55.510,00
e. Kosten i.v.m. het stellen van zekerheid
€ 50.670,89
f. Reputatieschade
PM
g. Gemiste winst
PM
Totaal
€ 1.505.984,57 + PM
4.9.
Zoals hierna wordt toegelicht, zijn al deze posten wat betreft de omvang zeer gemotiveerd betwist. Zonder een nadere schriftelijke ronde of bewijslevering is ten aanzien van geen van deze posten voldoende duidelijk tot welk bedrag MacGregor c.s. in elk geval daadwerkelijk schade hebben geleden.
Ad a) juridische kosten (€ 119.999,73)
4.10.
MacGregor c.s. voeren ten aanzien van deze post aan dat zij als gevolg van het door Ravestein gelegde beslag kosten hebben moeten maken voor juridische bijstand. Dit ziet op kosten voor (1) overleg en correspondentie voorafgaand aan en in verband met de beslaglegging, (2) de onderhandelingen met de bank over de bankgarantie en het stellen daarvan, (3) het voeren van het opheffingskortgeding, (4) advisering over de (juridische) positie van MacGregor ten opzichte van onder andere Bouygues in verband met het beslag en (5) het opstellen en versturen van brieven naar derde partijen waaronder Bouygues in verband met het beslag. Volgens MacGregor c.s. zouden deze kosten zonder het beslag niet zijn gemaakt en komen zij daarom voor volledige vergoeding in aanmerking.
4.11.
Ravestein voert het volgende verweer tegen deze kosten:
  • Primair: de kosten en het causaal verband zijn onvoldoende toegelicht. MacGregor c.s. hebben voor het overgrote deel van de gevorderde facturen nagelaten om toe te lichten (1) op welke specifieke kosten de facturen precies zien, (2) waarom deze kosten nodig waren en (3) dat en waarom deze kosten zouden zijn uitgebleven als het beslag niet was gelegd.
  • Subsidiair: de gevorderde kosten vallen ofwel onder het bereik van de al uitgesproken proceskostenveroordeling (in het opheffingskortgeding), ofwel onder het bereik van de proceskostenveroordeling die in deze zaak wordt uitgesproken.
  • Meer subsidiair: de kosten zijn buitenproportioneel hoog.
  • Nog meer subsidiair: MacGregor c.s. hadden zich de kosten kunnen en moeten uitsparen. Het starten van een opheffingskortgeding en het voorstellen van een bankgarantie was niet nodig geweest.
4.12.
Gelet op de betwisting door Ravestein is niet duidelijk tot welk bedrag MacGregor c.s. juridische kosten hebben moeten maken als gevolg van de beslaglegging. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de door MacGregor c.s. opgeworpen kosten in verband met de kortgedingprocedure in elk geval niet voor toewijzing in aanmerking komen, omdat in het vonnis in de kortgedingprocedure al een proceskostenveroordeling is uitgesproken (van € 15.000,00 op grond van artikel 1019h Rv). De rechtbank acht het standpunt van MacGregor c.s., dat deze proceskostenveroordeling niet in de weg staat aan een veroordeling van Ravestein tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten in de kortgedingprocedure op grond van artikel 6:162 BW Pro en/of artikel 1019g Rv, niet juist. Omstandigheden die dat zouden kunnen rechtvaardigen zijn niet (voldoende) door MacGregor c.s. gesteld en ook niet gebleken. De enkele verwijzing van MacGregor c.s. naar een arrest van het Hof Den Bosch van 10 maart 2015 [1] , welk arrest ziet op een andere situatie, is daartoe niet voldoende.
Ad b) extra huur- en opslagkosten (€ 903.073,94)
4.13.
Volgens MacGregor c.s. heeft het door Ravestein gelegde beslag ertoe geleid dat Linkspan Calais 10 zeven weken langer op de kade heeft gelegen (van 13 juli 2020 tot en met 1 september 2020). Als gevolg van het beslag kon Linkspan Calais 10 de haven niet verlaten. Omdat er op de kade maar plek was voor één linkspan, leverde dit ook vertraging op voor de opvolgende Linkspans Calais 11 en 12. In verband met de ontstane vertraging van ongeveer zestig dagen heeft MacGregor in de periode van juli tot en met november 2020 extra huur- en opslagkosten moeten maken. Omdat deze kosten niet zouden zijn gemaakt als het beslag niet was gelegd, komen zij voor volledige vergoeding in aanmerking, aldus MacGregor c.s.
4.14.
Ravestein voert het volgende aan tegen de extra huurkosten:
  • Wat betreft de huurkosten voor materiaal van Loxam (€ 58.415,00 over de periode juli tot en met september 2020): de overgelegde facturen tellen niet op tot het door MacGregor c.s. genoemde bedrag van € 58.415,00, maar tot een bedrag van € 14.629,39. Het restant wordt in het geheel niet onderbouwd. Het overleggen van losse facturen zonder concrete toelichting is daarnaast niet voldoende. Per factuur had tenminste moeten worden toegelicht op welke objecten de factuur ziet, waar deze objecten precies voor nodig waren, waar de objecten voor zijn gebruikt en wanneer, dat en waarom deze objecten in een bepaalde periode niet konden worden gebruikt en hoe dit zich verhoudt tot de vermeende (oorspronkelijke) planning. Volgens Ravestein heeft het er alle schijn van dat de gehuurde objecten juist wel zijn gebruikt in de periode waarin ze zijn gehuurd.
  • Wat betreft de huurkosten van Schiepo (€ 18.712,94 over augustus 2020): deze kosten zouden ook zijn gemaakt als het beslag was uitgebleven. De betreffende huurovereenkomst is in februari 2019 gesloten voor een vaste periode van 1 januari 2020 tot en met het einde van 2020. MacGregor ging er dus zelf al vanuit dat zij minimaal tot het einde van het jaar bezig zou zijn met het assembleren en vervoeren van de linkspans. Het betalen van huur over de maand augustus 2020 was dus hoe dan ook nodig.
  • Wat betreft de huurkosten van BOA (€ 22.643,00 over september 2020): Ravestein betwist dat MacGregor deze kosten heeft gemaakt. Uit de door MacGregor c.s. overgelegde huurovereenkomst blijkt op geen enkele manier hoe het vermeende bedrag is opgebouwd, waar de vermeende kosten precies uit bestaan en waarom sprake is van extra huurkosten die zonder het beslag niet zouden zijn gemaakt. Een factuur en een betalingsbewijs ontbreken. Het is volgens Ravestein zeer aannemelijk dat de kosten ook zonder beslag zouden zijn gemaakt, aangezien er blijkens de stellingen van MacGregor c.s. in juli en november 2020 nog onderdelen binnenkwamen voor de Linkspans Calais 11 en 12. Huurkosten in september 2020 waren dus hoe dan ook nodig voor de assemblage en het vervoer van de linkspans.
  • Wat betreft de demurragekosten (overliggeld) van BOA (€ 371.250,00 over de periode september tot en met november 2020): omdat er in november 2020 nog onderdelen arriveerden is het zeer onaannemelijk dat sprake is van extra kosten die zonder het beslag niet zouden zijn gemaakt. Daarnaast is een concrete toelichting op de facturen uitgebleven. Niet uitgesloten kan worden dat sprake is van overlap met de hiervoor besproken huurkosten van BOA.
4.15.
Ter zake van de extra opslagkosten voert Ravestein het volgende aan:
  • Van MacGregor mag worden verwacht dat zij niet alleen volledige transparantie betracht over de oorspronkelijke en eventueel later aangepaste planning, maar ook dat zij per gevorderde factuur, althans per gevorderd deel daarvan, toelicht en onderbouwt (1) welke onderdelen er zijn opgeslagen, (2) waar die onderdelen voor nodig waren c.q. voor werden gebruikt, (3) welke kosten aan die specifieke onderdelen zijn verbonden en (4) hoe het opslaan van de betreffende onderdelen zich concreet verhoudt tot de vermeende aanpassingen op de planning door het beslag. MacGregor heeft dat niet gedaan.
  • Wat betreft de opslagkosten van Chr.Th. Boe over september 2020 (€ 65.000,00): uit de overgelegde facturen kan niet worden afgeleid dat als gevolg van het beslag extra opslagkosten zijn gemaakt.
  • Wat betreft de opslagkosten van Chr.Th. Boe over juli tot en met oktober 2020 (€ 109.534,00) en over oktober en november 2020 (€ 65.034,00): op de beide facturen verwijst slechts één post naar de opslag in verband met de tweede respectievelijk de derde linkspan. Deze posten zijn niet consistent met de stellingen van MacGregor tijdens de zitting over (de opslag van onderdelen van) deze linkspans. Daarnaast is onduidelijk welke onderdelen er precies zijn opgeslagen en met welk doel. De overige posten op de facturen zien niet op opslagkosten.
  • Wat betreft de opslagkosten van Bonn & Mees (€ 192.485,00 over juli, september en november 2020): uit de omschrijving van de overgelegde facturen volgt niet dat deze zien op opslagkosten, laat staan op opslagkosten die verband houden met de linkspans. Sterker nog, de kosten lijken te zien op het simpelweg laden en lossen van aangekomen onderdelen en niet op het extra opslaan daarvan. Ravestein betwist dat de kosten zonder het beslag zouden zijn uitgespaard.
4.16.
Gelet op deze zeer gemotiveerde betwisting door Ravestein is onvoldoende duidelijk geworden tot welk bedrag MacGregor c.s. extra huur- en opslagkosten hebben moeten maken als gevolg van het beslag. Voor toewijzing van een voorschot is daarom ook in zoverre geen plaats.
Ad c) extra personeels- en huisvestingskosten (€ 376.730,01)
4.17.
MacGregor c.s. stellen dat 32 personen, die speciaal uit het buitenland waren ingevlogen om vervoer- en installatiewerkzaamheden aan de Linkspan Calais 10 te verrichten, als gevolg van het beslag geen werkzaamheden hebben kunnen verrichten gedurende zes dagen in de week van 13 tot en met 19 juli 2020. MacGregor c.s. lichten toe dat, omdat de linkspan niet kon worden vervoerd, er ook geen vervoer- en installatiewerkzaamheden konden worden verricht. Hierdoor zijn 1.220 reeds ingeplande werkuren verloren gegaan, die later ingehaald moesten worden. Vermenigvuldigd met de kosten van € 300,00 per uur levert dat een schadepost voor MacGregor op van € 366.000,00. De extra huisvestingskosten voor de betreffende werknemers bedragen € 10.730,01. Omdat deze kosten zonder het beslag niet zouden zijn gemaakt, moeten zij volledig worden vergoed door Ravestein, aldus MacGregor c.s.
4.18.
Ravestein betwist de extra personeels- en huisvestingskosten als volgt:
  • Wat betreft de personeelskosten: MacGregor licht niet toe en onderbouwt niet dat deze kosten (1) überhaupt zijn gemaakt en (2) zouden zijn uitgebleven als er geen beslag was gelegd. Subsidiair geldt dat MacGregor deze schade zeer eenvoudig had kunnen en ook moeten voorkomen en dat de schade in een te ver verwijderd verband met het beslag staat. Het beslag voorkwam namelijk niet dat aan de Linkspan Calais 10 kon worden doorgewerkt. De betreffende medewerkers zijn niet ingevlogen voor vervoers-, maar voor installatiewerkzaamheden. De door MacGregor c.s. overgelegde stukken bevestigen dat er in de genoemde week (13 tot en met 19 juli 2020) gewoon is doorgewerkt aan de installatie van de Linkspan Calais 10. Uit de stukken blijkt ook dat de datum van 16 juli 2020 – voor zover al ingepland – ook zonder beslag nooit zou zijn gehaald. Voor zover er al vertraging is ontstaan, houdt die dus geen verband met het door Ravestein gelegde beslag. Ook betwist Ravestein de schadebegroting. Het uurtarief van € 300,00 is volgens haar niet juist.
  • Wat betreft de huisvestingskosten: omdat er geen werkuren verloren zijn gegaan en er geen vertraging is opgelopen door het beslag, komen ook deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Daarnaast blijkt uit de overgelegde factuur dat de kosten in rekening zijn gebracht aan MacGregor Poland en blijkt nergens uit dat de kosten aan MacGregor zijn doorbelast. De factuur is van 2 maart 2020 (en dus ruimschoots voor de beslaglegging) en heeft betrekking op de periode van 29 juni 2020 tot en met 31 juli 2020. Het is dus evident onjuist dat het geboekte verblijf als gevolg van het beslag is aangepast. Ook deze factuur voedt het vermoeden van Ravestein dat de stellingen van MacGregor c.s. over de vermeende oorspronkelijke planning en het aanpassen daarvan als gevolg van het beslag niet juist zijn.
4.19.
Ook met betrekking tot deze gestelde kosten kan geen voorschot worden toegewezen. Gelet op het verweer van Ravestein is op dit moment onvoldoende duidelijk tot welk bedrag MacGregor c.s. als gevolg van de beslaglegging extra personeels- en huisvestingskosten hebben moeten maken.
Ad d) interne kosten (€ 55.510,00)
4.20.
Volgens MacGregor c.s. heeft Cargotec als gevolg van het beslag allerlei (interne) kosten moeten maken in verband met de voorbereiding van de processtukken in het opheffingskortgeding en meer in algemene zin in verband met het voeren van verweer (waaronder ook reiskosten). Cargotec begroot haar schade op € 55.510,00 (427 uur x een gemiddeld uurtarief van € 130,00). Deze kosten zou Cargotec in het geheel niet hebben gemaakt als het beslag achterwege was gebleven, zodat de kosten voor volledige vergoeding in aanmerking komen.
4.21.
Ravestein voert het volgende verweer tegen deze kosten:
  • Primair: de kosten zijn onvoldoende toegelicht. MacGregor c.s. hebben nagelaten om toe te lichten (1) hoe zij zijn gekomen tot (in totaal) 610 uren, (2) waarom deze kosten nodig waren, (3) waarom deze kosten zouden zijn uitgebleven als het beslag niet was gelegd en (4) waarom 70% van deze kosten (en dus 427 uur) betrekking heeft op werkzaamheden in verband met de beslaglegging en het opheffingskortgeding. Ook betwist Ravestein het uurtarief van € 130,00.
  • Subsidiair: de kosten vallen onder de proceskostenveroordeling en kunnen niet separaat worden gevorderd.
  • Meer subsidiair: de kosten zijn buitensporig hoog.
  • Nog meer subsidiair: de kosten hadden kunnen en moeten worden bespaard. Omdat het beslag geen doel heeft getroffen, was het opheffingskortgeding niet nodig.
4.22.
Voor toewijzing van een voorschot bestaat ook ten aanzien van deze kosten geen aanleiding. De rechtbank verwijst naar en sluit aan bij wat hiervoor onder 4.12 is overwogen.
Ad e) kosten in verband met het stellen van zekerheid (€ 50.670,89)
4.23.
MacGregor c.s. stellen dat Cargotec een bankgarantie ter hoogte van het volledige bedrag waarvoor beslag was gelegd heeft aangeboden aan Ravestein als vervangende zekerheid. Ravestein heeft de bankgarantie niet (voor de zitting in het opheffingskortgeding) geaccepteerd. Omdat Ravestein dreigde om ook beslag te leggen op Linkspan Calais 11 en 12, voelde Cargotec zich genoodzaakt om de bankgarantie in de lucht te houden. Toen Cargotec de bankgarantie wilde opzeggen, verleende Ravestein daarvoor niet de vereiste toestemming. Om deze redenen is de bankgarantie tot eind 2021 in de lucht gebleven. De bank heeft in dat kader een bedrag van € 50.670,89 in rekening gebracht aan Cargotec. Deze kosten zou Cargotec niet hebben gemaakt als het beslag niet was gelegd, zodat de kosten voor volledige vergoeding in aanmerking komen.
4.24.
Ravestein voert aan dat zij niet bekend is met een door MacGregor c.s. gestelde bankgarantie. Dat daadwerkelijk een bankgarantie is gesteld die voldoet aan de vereisten voor het stellen van voldoende zekerheid blijkt volgens haar nergens uit. De bankgarantie die is aangeboden voor de kortgedingzitting is uiteindelijk nooit tot stand gekomen en dat was ook niet nodig. Het beslag is in het kortgedingvonnis van 14 augustus 2020 opgeheven en gelet op de inhoud van dat vonnis zou Ravestein er überhaupt nooit in zijn geslaagd om opnieuw beslag te leggen. Een bericht van ING Bank van 12 november 2021 bevestigt dat er nooit een garantie aan Ravestein is overhandigd. Ook het gevorderde bedrag klopt niet: op de door MacGregor c.s. overgelegde betaalbewijzen staan lagere bedragen in euro’s vermeld dan gevorderd, aldus Ravestein.
4.25.
Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Ravestein, kan de rechtbank niet vaststellen dat daadwerkelijk een (adequate) bankgarantie aan Ravestein is aangeboden. Alleen al om die reden is er geen aanleiding voor toewijzing van een voorschot op dit punt.
Ad f) en g) reputatieschade en gemiste winst (PM)
4.26.
Volgens MacGregor c.s. heeft MacGregor reputatieschade geleden, omdat zij als gevolg van de beslaglegging en de onterechte aanspraken van Ravestein is aangetast in haar goede naam. Zij stellen verder dat MacGregor zich, uit vrees voor verdere beslagleggingen en claims van Ravestein, genoodzaakt heeft gevoeld om af te zien van inschrijvingen op vergelijkbare linkspanprojecten, waaronder in het bijzonder een nieuw linkspanproject van Bouygues in Duinkerken met een potentiële waarde van € 24.000.000,00 en een winstmarge van 25%. Volgens MacGregor is de kans zeer groot dat zij, als het beslag achterwege was gebleven en zij zich had ingeschreven, ook dit project had binnengehaald. Omdat de geleden schade zich in dit kader niet makkelijk (concreet) laat begroten, moet dat volgens MacGregor c.s. in de schadestaatprocedure gebeuren.
4.27.
Ravestein voert aan dat MacGregor niet (voldoende) aannemelijk heeft gemaakt dat zij door de beslaglegging mogelijk reputatieschade heeft geleden en (een reële kans op) winst is misgelopen. Een verwijzing naar de schadestaatprocedure moet daarom volgens Ravestein uitblijven.
4.28.
De rechtbank heeft eerder al toegelicht dat en waarom de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt toegewezen. In de schadestaatprocedure kunnen de verschillende schadeposten (nader) aan de orde komen. Uit de stellingen van MacGregor c.s. leidt de rechtbank af dat er ten aanzien van de gestelde reputatieschade en gemiste winst in elk geval geen reden is voor toewijzing van een voorschot.
Proceskosten
4.29.
De rechtbank zal Ravestein veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten) van MacGregor c.s. in reconventie. Hoewel maar een betrekkelijk klein deel van de vorderingen in reconventie wordt toegewezen, hebben MacGregor c.s. de procedure in reconventie op goede gronden gestart en voortgezet.
4.30.
MacGregor c.s. vorderen een volledige proceskostenvergoeding op grond van artikel 1019h Rv. De rechtbank is van oordeel dat de aan het beslag gekoppelde schadevergoedingsvorderingen deels betrekking hebben op handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv Pro. Aan het beslag was immers mede inbreuk op een recht van intellectuele eigendom ten grondslag gelegd (zie verzoekschrift onder 1 op pagina 3). De rechtbank zal net als in conventie ook in reconventie een derde deel toeschrijven aan deze IE-rechtelijke grondslag.
4.31.
Ook in reconventie is sprake van een “normale” bodemzaak in de zin van de indicatietarieven in IE-zaken (versie 1 februari 2026), waarvoor een maximumbedrag van € 21.000,00 geldt. Een derde daarvan is € 7.000,00. Omdat de procedure in reconventie deels samenhangt met de procedure in conventie en het aantal proceshandelingen in reconventie beperkt is, ziet de rechtbank aanleiding om niet het maximale bedrag toe te wijzen. Een bedrag van € 4.000,00 komt de rechtbank in de gegeven omstandigheden redelijk en evenredig voor. Voldoende gebleken is dat tenminste tot dat bedrag kosten zijn gemaakt in reconventie.
4.32.
De proceskosten voor het resterende deel van de vorderingen (twee derde) worden berekend aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief. De rechtbank ziet aanleiding om bij de bepaling van het toepasselijke tarief uit te gaan van uitsluitend de toewijsbare vorderingen. Omdat nog onduidelijk is tot welk bedrag MacGregor c.s. als gevolg van het beslag schade hebben geleden, wordt het tarief toegepast dat hoort bij vorderingen van onbepaalde waarde (€ 653,00). Vermenigvuldigd met 2,5 punten levert dat een bedrag op van € 1.632,50. Twee derde daarvan en dus € 1.088,33 is toewijsbaar voor wat betreft het niet-IE-deel van de vorderingen in reconventie.
4.33.
De proceskosten van MacGregor c.s. in reconventie worden dus begroot op:
- salaris advocaat IE-deel
- salaris advocaat niet-IE-deel
4.000,00
1.088,33
- nakosten
148,00
Totaal
5.236,33
4.34.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.35.
Het vonnis wordt, zoals gevorderd door MacGregor c.s., uitvoerbaar bij voorraad verklaard ten aanzien van de veroordelingen.

5.De beslissing

De rechtbank
in de zaak 23-969
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt Ravestein in de proceskosten van € 4.131,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
veroordeelt Ravestein tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
in de zaak 21-308
in conventie
5.5.
wijst de vorderingen af,
5.6.
veroordeelt Ravestein in de proceskosten van € 29.872,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Ravestein niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
veroordeelt Ravestein tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.6 en 5.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
in de 843a (oud) Rv-incidenten
5.9.
veroordeelt MacGregor in de proceskosten van € 2.474,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als MacGregor niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.10.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.9 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.11.
verklaart voor recht dat Ravestein jegens MacGregor c.s. aansprakelijk is voor de schade die door MacGregor c.s. is geleden en/of nog zal worden geleden als gevolg van het onrechtmatig leggen (op 29 juni 2020) en handhaven (tot 14 augustus 2020) van het conservatoir beslag op de Linkspan Calais 10,
5.12.
veroordeelt Ravestein tot vergoeding aan MacGregor c.s. van die schade, op te maken bij staat,
5.13.
veroordeelt Ravestein in de proceskosten van € 5.236,33, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.14.
veroordeelt Ravestein tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.15.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.12 tot en met 5.14 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.16.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. W.J.M. Diekman en mr. N.M. Ketelaar en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
1977/106/2502/3569

Voetnoten