Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4509

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
11971942 CV EXPL 25-25072
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:269 BWArt. 208 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot oproeping in vrijwaring in geschil over huurbescherming en schadevergoeding

In deze civiele procedure eist eiseres een verklaring voor recht dat zij huurbescherming geniet en dat Albert Heijn en OTTO haar niet mogen uitzetten, onder verbeurte van een dwangsom. Tevens vordert zij een verklaring dat de niet-verlenging van haar arbeidsovereenkomst onrechtmatig is en een schadevergoeding van €140.000,-. OTTO heeft in een incident een verzoek ingediend om Albert Heijn in vrijwaring op te roepen, stellende dat Albert Heijn aansprakelijk is voor eventuele schade.

De kantonrechter oordeelt dat de betalingsverplichting van Albert Heijn aan OTTO niet vaststaat en dat OTTO geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing. Daarom wordt het verzoek tot oproeping in vrijwaring afgewezen en moet OTTO de proceskosten van het incident betalen. In de hoofdzaak is nog geen inhoudelijke beslissing genomen; OTTO mag nog reageren op de dagvaarding en partijen worden uitgenodigd voor een zitting om hun standpunten toe te lichten en te zoeken naar een oplossing.

De zitting wordt gepland op 22 april 2026, waarbij ook wordt gevraagd aan partijen om hun beschikbaarheid en e-mailadressen door te geven. De kantonrechter houdt verdere beslissingen aan. Het vonnis is gewezen door kantonrechter I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek van OTTO tot oproeping van Albert Heijn in vrijwaring wordt afgewezen en de hoofdzaak wordt aangehouden tot de zitting op 22 april 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11971942 CV EXPL 25-25072
datum uitspraak: 20 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. D. Uygul-van Dam,
tegen

1.Albert Heijn B.V.,

vestigingsplaats: Zaandam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S. Vrij, en

2.OTTO Work Force B.V.,

vestigingsplaats: Venray,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M. Bouman.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘Albert Heijn’ en ‘OTTO’ genoemd.

1.De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaardingen van 11 en 13 november 2025;
  • de brief van [eiseres] , met bijlagen 1 tot en met 8;
  • het antwoord van Albert Heijn, met bijlagen 1 tot en met 8;
  • de eis van OTTO in het incident tot oproeping in vrijwaring;
  • het antwoord van [eiseres] in het incident.

2.De eis in de hoofdzaak

2.1.
[eiseres] (die aanvankelijk in persoon procedeerde) eist (samengevat en zoals de kantonrechter haar eis begrijpt) in de hoofdzaak bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
een verklaring voor recht dat Albert Heijn en OTTO hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schade die zij in de uitoefening van haar werkzaamheden heeft geleden;
een verklaring voor recht dat de beslissing om haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen onrechtmatig is althans in strijd is met goed werkgeverschap;
Albert Heijn en OTTO hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan haar van € 140.000,- aan schadevergoeding (bestaande uit € 120.000,- aan immateriële schadevergoeding,
€ 10.000,- wegens inkomensverlies, € 5.000,- aan vergoeding medische kosten, en
€ 5.000,- aan buitengerechtelijke kosten) met de wettelijke rente hierover vanaf
23 oktober 2025;
4. een verklaring voor recht dat zij huurbescherming geniet op grond van artikel 7:269 BW Pro;
5. dat het Albert Heijn en OTTO wordt verboden om haar uit het gehuurde te zetten, onder verbeurte van een dwangsom van € 200,- per dag dat dit verbod wordt overtreden;
6. dat een dwangsom wordt opgelegd van € 200,- per dag vertraging bij het niet tijdig indienen van processtukken;
7. Albert Heijn en OTTO hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
2.2.
Albert Heijn is het niet eens met de eis.
2.3.
OTTO heeft een eis in incident ingesteld.

3.De eis in incident

3.1.
OTTO eist toestemming om Albert Heijn in vrijwaring op te roepen. OTTO stelt dat als zij in de hoofdzaak aansprakelijk gehouden wordt en veroordeeld wordt tot betaling van schadevergoeding aan [eiseres] , zij die vergoeding op Albert Heijn wil verhalen. In de onderlinge verhouding tussen OTTO en Albert Heijn, waarbij OTTO als uitlener [eiseres] ter beschikking heeft gesteld aan Albert Heijn om onder leiding en toezicht van Albert Heijn werkzaamheden uit te voeren en Albert Heijn de feitelijke zeggenschap heeft gehad over de werkzaamheden en de werkomstandigheden, dient Albert Heijn de schade te dragen, aldus OTTO.
3.2.
[eiseres] is het niet eens met de eis.

4.De beoordeling

In het incident
4.1.
OTTO heeft gesteld dat als zij in de hoofzaak wordt veroordeeld om een bedrag te betalen aan [eiseres] , Albert Heijn dat bedrag aan haar moet betalen. Die betalings-verplichting staat op dit moment niet vast, want is weersproken door [eiseres] en OTTO heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van de gestelde betalingsverplichting. Geen reden wordt gezien om OTTO in de gelegenheid te stellen het gestelde alsnog te onderbouwen. Zoiets kan in bijzondere gevallen [1] , maar daarvan is geen sprake.
Bij deze stand van zaken wordt de eis in incident afgewezen.
4.2.
OTTO moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiseres] op € 0,-.
In de hoofdzaak
4.3.
OTTO heeft nog niet gereageerd op de dagvaarding. Dat mag zij nog doen.
4.4.
De kantonrechter wil de zaak met partijen bespreken op een zitting. Partijen krijgen op de zitting de mogelijkheid om hun kant van het verhaal te vertellen. Ook stelt de kantonrechter vragen en onderzoekt of de partijen samen tot een oplossing kunnen komen.
4.5.
Bij het plannen van de zitting wil de rechtbank zoveel mogelijk rekening houden met de agenda van de partijen. Daarom wordt nu eerst aan de partijen gevraagd de kantonrechter te laten weten op welke ochtenden en/of middagen in de komende maanden zij echt niet naar een zitting kunnen komen. Ook wil de kantonrechter graag de e-mailadressen van de partijen ontvangen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in het incident
5.1.
geeft OTTO geen toestemming om Albert Heijn in vrijwaring op te roepen;
5.2.
veroordeelt OTTO in de kosten van dit incident, die tot vandaag worden vastgesteld op € 0,-;
in de hoofdzaak
5.3.
bepaalt dat OTTO op de rolzitting van
woensdag 22 april 2026 om 11:30 uurmag reageren op de dagvaarding;
5.4.
bepaalt dat partijen uiterlijk op
woensdag 22 april 2026 om 11:30 uurmoeten laten weten op welke ochtenden/middagen in de maanden mei tot en met oktober 2026 zij echt niet naar een zitting kunnen komen en hun e-mailadres moeten opgeven;
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Artikel 208 lid 2 Rv Pro