ECLI:NL:RBROT:2026:4531
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens onduidelijkheid financiële positie veroordeelde
De veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf van negentien jaar en vier maanden, met een voorwaardelijke invrijheidstelling die aanvankelijk gepland stond op 10 februari 2026. Na een eerdere uitstelbeslissing van 60 dagen op 23 januari 2026, heeft het openbaar ministerie een nieuwe vordering ingediend tot uitstel van 90 dagen.
Tijdens de zitting op 26 maart 2026 zijn de veroordeelde, zijn raadsvrouw, de officier van justitie en deskundigen gehoord. De veroordeelde verklaarde dat zijn huidige inkomen legaal is en gaf uitleg over de geldstromen via familieleden, maar kon dit niet met bewijsstukken onderbouwen. De reclassering en de penitentiaire inrichting rapporteerden tegenstrijdige verklaringen en onvoldoende duidelijkheid over de financiële situatie.
De rechtbank constateert dat het politieonderzoek naar de geldstromen nog niet is afgerond en dat er nog onduidelijkheden zijn over de herkomst van het geld, de arbeidsrelatie met de ex-zwager en fiscale aspecten. Hierdoor kan het gevaar op herhaling van delicten niet adequaat worden ingeperkt met voorwaarden.
Gezien deze omstandigheden wijst de rechtbank het verzoek van de veroordeelde af om het uitstel te beperken tot 30 dagen en besluit het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 90 dagen toe te wijzen. Deze beslissing is genomen om het lopende onderzoek af te ronden en de risico’s beter te kunnen beoordelen.
Uitkomst: De rechtbank stelt de voorwaardelijke invrijheidstelling uit met 90 dagen vanwege onvoldoende inzicht in de financiële situatie en lopend politieonderzoek.