Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de akte van de gemeente, met producties 1 tot en met 28;
- de antwoordakte van de erfpachters, met producties 69 tot en met 74;
- de antwoordakte van de gemeente, met producties 29 tot en met 33;
- de doorhaling van de procedure tussen [naam] en de gemeente op 19 november 2025;
- de antwoordakte van de erfpachters;
- de spreekaantekeningen van de gemeente voor de mondelinge behandeling op 9 februari 2026;
- het proces-verbaal van de tussen [bedrijf] en de gemeente bereikte overeenstemming, die onder meer inhoudt dat de procedure tussen hen op de rol van 4 maart 2026 wordt doorgehaald;
- de doorhaling van de procedure tussen [bedrijf] en de gemeente op de rol van 4 maart 2026, nadat de rechtbank het verzoek van [bedrijf] om aanhouding van de doorhaling heeft afgewezen.
2.Kern van het geschil en de beslissing
3.De verdere beoordeling
Het belang van de gemeenteis in eerste instantie haar belang als eigenaar van het perceel. Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben. Door percelen slechts tijdelijk in erfpacht uit te geven, creëert zij ruimte om na het verstrijken van die periode aan andere wensen en doelen van haar kant invulling te geven. Op dit principe is dan ook het gemeentelijk erfpachtbeleid gestoeld.
- voldoende en passende werkgelegenheid voor haar inwoners;
- het op orde brengen en verbeteren van de kwaliteit van bedrijfsterreinen;
- het tegengaan van (de gevolgen van) klimaatverandering.
De gemeente kan het perceel (onbelast met erfpacht) juist wel goed gebruiken voor de realisatie van de overkoepelende gebiedsbelangen, de doelstellingen onder b, e en f.
De gemeente omschrijft de belangen van [eiser] in slechts één algemene zin. Daaruit valt niet af te leiden dat de gemeente zich heeft aangetrokken wat het aanstaande vertrek concreet voor [eiser] betekent. De gemeente heeft de belangen van [eiser] niet scherp in beeld gebracht, maar is bij een oppervlakkige omschrijving daarvan gebleven. De verklaring ter zitting dat die omschrijving ook alle niet expliciet genoemde gevolgen omvat, zonder die gevolgen te benoemen, getuigt niet van een serieuze en kenbare weging van wat het einde van de erfpacht concreet voor [eiser] betekent.
Een deugdelijke belangenafweging ontbreekt dan ook nog steeds, zeker nu de plannen van de gemeente niet concreet zijn. De gemeente heeft niet de vraag beantwoord waarom specifiek het (relatief kleine) perceel van [eiser] nodig is voor welk specifiek plan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente hiermee nog steeds niet voldaan aan haar verplichting om een zorgvuldige belangenafweging te maken [3] en zich daarmee tegenover [eiser] niet redelijk opgesteld [4] . De rechtbank kan zich voorstellen dat de gemeente het bedrijventerrein in zijn geheel beziet en dat het daarom enige tijd kan duren voordat concreet duidelijk wordt wat er met ieder stuk(je) van haar grond gaat gebeuren, zoals zij tijdens de tweede zitting heeft toegelicht, maar dat neemt niet weg dat zij de door haar gestelde algemene belangen niet concreet heeft gemaakt, terwijl de belangen van [eiser] wel (zeer) concreet zijn.
[5] van uitgaan dat [eiser] dat ook daadwerkelijk heeft gedaan. Er is dan ook geen grondslag voor toewijzing van de door [eiser] onder V (zie 4.1 van het tussenvonnis) gevorderde schadevergoeding, te minder nu de economische eigendom bij uitvoering van dit vonnis feitelijk voortduurt tot 1 oktober 2036.
- kosten dagvaarding € 135,57
- advocaatkosten € 2.612,00
€ 189,00(plus eventuele verhoging)
€ 107,00(plus eventuele verhoging)
4.De beslissing
Het is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.