Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4565

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/10/704841 / JE RK 25-1654
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens gedragsproblemen en thuissituatie

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, geboren in 2010 en 2017, die bij hun ouders wonen. De kinderrechter hield op 17 maart 2026 een zitting met gesloten deuren, waarbij de vader en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren. Minderjarige 1 voerde een kindgesprek met de rechter, minderjarige 2 niet.

De GI lichtte toe dat minderjarige 1 vanwege gedragsproblemen en dreigementen richting een docente thuiszit en begeleiding krijgt van Bureau Halt en de Waag. Voor minderjarige 2 waren geen individuele zorgen, maar wel aandacht voor de thuissituatie. De vader vond verlenging niet nodig en zag voldoende hulpverlening via Bureau Halt.

De kinderrechter oordeelde dat minderjarige 1 nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en verlengde de ondertoezichtstelling voor zes maanden. Voor minderjarige 2 waren geen ernstige bedreigingen meer, waardoor het verzoek voor haar werd afgewezen. De beschikking werd op 20 april 2026 schriftelijk vastgesteld.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van minderjarige 1 wordt verlengd tot 20 september 2026, terwijl het verzoek voor minderjarige 2 wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/704841 / JE RK 25-1654
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats].

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 16 september 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de herstelbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 26 januari 2026.
1.2.
Op 17 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam].
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgenodigd voor een kindgesprek. [minderjarige 1] heeft van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt en een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 2] heeft geen gesprek gevoerd met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 20 maart 2026.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Op een gedeelte van het verzoek is reeds beslist. Er moet nog een beslissing worden genomen op het restant van het verzoek, te weten de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode van 20 maart 2026 tot 20 september 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het nader toe. De afgelopen periode is er op school het een en ander gebeurd waardoor [minderjarige 1] nu thuiszit. [minderjarige 1] bereidt zijn toetsen en examens vanuit huis voor en hoopt alsnog zijn diploma te behalen. Door de zorgen over de dreigementen die [minderjarige 1] heeft gedaan richting zijn docente en doordat [minderjarige 1] nu thuiszit, heeft Leerplicht bureau Halt ingeschakeld. Bureau Halt gaat met [minderjarige 1] kijken wat er is gebeurd en hoe voorkomen kan worden dat dit nogmaals gebeurt. Daarnaast heeft de GI [minderjarige 1] aangemeld bij de Waag. Zij gaan kijken waar [minderjarige 1] zijn gedrag vandaan komt. De GI gunt het gezin extra ondersteuning en hulpverlening. Over [minderjarige 2] heeft de GI geen individuele zorgen. Wel maakt de GI zich zorgen dat [minderjarige 2] de situatie rondom [minderjarige 1] meekrijgt. Daarnaast is de thuissituatie voorheen onstuimig geweest en kan het invloed hebben op de rust in de thuissituatie dat [minderjarige 1] nu volledig thuiszit. De GI hoopt met de inzet van hulpverlening meer zicht te krijgen op het gezin.
4.2.
De vader maakt ter zitting kenbaar dat hij een verlenging van de ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet nodig vindt. De vader maakt zich geen zorgen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [minderjarige 1] heeft op school en buitenshuis gedrag vertoond wat niet goed is. De twee gesprekken die [minderjarige 1] tot nu toe heeft gehad bij Bureau Halt zijn goed verlopen en hij ziet in dat wat hij heeft gedaan niet goed was. De betrokken hulpverlener vanuit Bureau Halt wil met [minderjarige 1] een werktraject aangaan. Het is een straf voor [minderjarige 1] dat hij nu thuiszit. Hulpverlening vanuit de Waag is niet nodig, de betrokkenheid van Bureau Halt is voldoende. De vader ervaart de betrokkenheid van de GI niet als helpend. Hulpverlening voor de thuissituatie is niet nodig, want het gedrag van [minderjarige 1] komt door zijn vrienden.

5.De beoordeling

Ten aanzien van [minderjarige 1]
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat [minderjarige 1] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Hoewel het de afgelopen periode rustiger leek in de thuissituatie, zijn de zorgen over [minderjarige 1] op school toegenomen. Na een ernstig incident is [minderjarige 1] verwijderd van school en zit hij nu volledig thuis. Het is positief dat [minderjarige 1] de kans krijgt om een traject te doorlopen bij Bureau Halt. Desondanks is de kinderrechter met de GI van oordeel dat ter aanvulling hulpverlening vanuit de Waag nodig is voor [minderjarige 1]. Vanuit de Waag wordt [minderjarige 1] op een andere manier ondersteund dan vanuit Bureau Halt. De komende periode is het daarom van belang dat er een intake plaatsvindt en de Waag kan kijken welke hulpverlening passend is voor [minderjarige 1].
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor de duur van zes maanden.
Ten aanzien van [minderjarige 2]
5.4.
Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat er geen individuele zorgen over [minderjarige 2] zijn. Het gaat goed met [minderjarige 2] op school en zij heeft veel vriendinnetjes. Daarnaast is het, zoals benoemd onder 5.2, de afgelopen periode rustiger geworden in de thuissituatie. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat [minderjarige 2] niet langer ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd.
5.5.
De kinderrechter zal het restant van het verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] daarom afwijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 20 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. Bottse als griffier, en op schrift gesteld op 20 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.