Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4571

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/10/718423 / JE RK 26-747
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling van minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

Het openbaar ministerie verzocht op 16 april 2026 om een voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige die wordt vervolgd voor bedreiging binnen een snapchatgroep. De minderjarige verblijft momenteel vrijwillig op een woongroep na eerdere gesloten plaatsingen. De Raad voor de Kinderbescherming bracht een strafadvies uit waarin ernstige zorgen over de opgroeisituatie en veiligheid werden geuit.

De ouders steunen het verzoek en geven aan dat de overgang van gesloten naar open plaatsing abrupt en zonder adequate begeleiding is verlopen, waardoor de minderjarige onvoldoende therapie heeft kunnen afronden en nu zonder dagbesteding zit. De kinderrechter constateert een acuut en ernstig vermoeden van bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, mede door zijn ADHD, vermoedens van ASS, agressieproblemen en een verstoord dag- en nachtritme.

De kinderrechter oordeelt dat de ouders ondanks hun inzet niet in staat zijn de bedreiging weg te nemen en dat een jeugdbeschermer de regie moet nemen. De voorlopige ondertoezichtstelling wordt voor drie maanden toegekend, waarbij de jeugdbescherming moet onderzoeken of de huidige woongroep passend is en passende hulp en dagbesteding moet worden geregeld. De minderjarige is tevens veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf met jeugdreclasseringstoezicht en verplichting tot dagbesteding.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht voor drie maanden vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/718423 / JE RK 26-747
Datum uitspraak: 16 april 2026
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 16 april 2026 over de voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
het openbaar ministerie,
hierna te noemen het OM,
standplaats in Rotterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboortedatum],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het mondelinge verzoek van de officier van justitie namens het OM op de zitting van de kinderrechter van 16 april 2026;
  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van het OM, ontvangen op 17 april 2026.
1.2.
Het verzoek tot een voorlopige ondertoezichtstelling is door het OM gedaan op de zitting van de kinderrechter van 16 april 2026. Op deze zitting werd een strafzaak tegen [minderjarige] behandeld. Daarbij zijn verschenen:
  • [minderjarige], bijgestaan door zijn advocaat in de strafzaak mr. Koop - van Vliet;
  • de moeder,
  • de vader.
1.3.
Bovengenoemde personen zijn tijdens de zitting gehoord over het verzoek van het OM. De begeleider van [minderjarige] vanuit de woongroep, [naam], is verschenen. Aan hem is bijzondere toegang verleend.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft op een woongroep van [naam woongroep] in [plaatsnaam].

3.Het verzoek en de standpunten

3.1.
Het OM verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en licht het verzoek als volgt toe. [minderjarige] is vervolgd voor het bedreigen van iemand binnen een snapchatgroep, hem wordt verweten binnen die groep een foto van een vuurwapen en een bedreigende tekst te hebben verzonden. Naar aanleiding van de strafzaak tegen [minderjarige] heeft de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) een strafadvies opgesteld. In het advies worden door de Raad zorgen geuit over de opgroeisituatie van [minderjarige], die nu op vrijwillige basis verblijft op [naam woongroep], nadat hij eerder tweemaal gesloten geplaatst is geweest. [minderjarige] kan niet meer bij zijn moeder wonen, omdat er grote zorgen zijn over moeders opvoedsituatie en risico’s voor de veiligheid van de andere kinderen in het gezin van moeder, als [minderjarige] weer thuis zou komen wonen. [minderjarige] dreigt verder af te glijden volgens de rapportage en heeft baat bij beperking van zijn vrijheden. De Raad omschrijft de problematiek als erg groot, [minderjarige] heeft een belast verleden en heeft hierdoor een trauma opgelopen. Hij heeft hierbij de juiste hulp nodig.
3.2.
De ouders zijn het eens met het verzoek. Zij geven aan dat [minderjarige] eerder gesloten geplaatst is geweest, maar dat die plaatsing is beëindigd door de gemeente. [minderjarige] zou behandeling en therapie moeten krijgen tijdens de gesloten plaatsing, maar hij heeft dat door de plotselinge beëindiging van de plaatsing niet kunnen afronden. Hij staat nu weer op een wachtlijst sinds januari. De overgang naar de open groep waar [minderjarige] nu zit is heel abrupt verlopen, zonder de juiste begeleiding. Zijn vrijheden zijn nu groot en het is een te grote overgang voor [minderjarige]. Het is nodig dat er iemand naast hem staat die hem de juiste hulpverlening en begeleiding kan geven.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
4.2.
De kinderrechter maakt zich ernstig zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige]. Hij heeft een belast verleden en heeft sinds zijn 13e jaar op verschillende groepen (open en gesloten) verbleven. Er zijn diverse registraties over hem bij de politie. Hij heeft ADHD en er zijn vermoedens van ASS. Hij heeft last van boosheid en kan agressief worden. Zijn verblijf in de laatste gesloten setting is een paar maanden geleden beëindigd. Daarbij is ook zijn traumatherapie, die net was gestart, gestopt. [minderjarige] is in het vrijwillig kader op de [naam woongroep] geplaatst. De stap naar een open setting is een erg grote stap voor [minderjarige] geweest en hij heeft daarbij niet de juiste begeleiding gekregen. Aan het begin van het verblijf bij [naam woongroep] heeft er een aantal incidenten plaatsgevonden, maar inmiddels gaat het beter, omdat [minderjarige] meer structuur krijgt. Hij heeft echter nog altijd geen school of andere dagbesteding. Hij zit de hele dag op zijn telefoon en heeft een verstoord dag- en nachtritme. [minderjarige] geeft aan zich te vervelen. Dit is mogelijk ook een van de redenen geweest dat hij tot bedreigende uitingen op social media is gekomen. [minderjarige] wil graag naar school en wil starten met een bijbaantje. [naam woongroep] kan op dit moment geen dagbesteding bieden.
4.3.
Het lukt de ouders niet om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Dit is niet te wijten aan hun inzet. De ouders hebben zich de afgelopen jaren hard ingezet om de juiste hulp voor [minderjarige] te vinden. Zij hebben daarbij onder meer meegewerkt aan vrijwillige uithuisplaatsingen in het belang van [minderjarige] en hebben zich nooit verzet tegen de gesloten machtigingen. Na de laatste overplaatsing van [minderjarige] hebben zij hem direct aangemeld voor behandeling, waar hij nu op een wachtlijst staat. De ouders ervaren echter dat zij van het kastje naar de muur worden gestuurd in het vrijwillig kader. De problematiek van [minderjarige] lijkt te heftig om in het vrijwillig kader op te lossen. Daarom vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat een jeugdbeschermer de regie gaat nemen.
4.4.
De huidige plaatsing bij [naam woongroep] is gerealiseerd in het vrijwillig kader. [minderjarige] verblijft hier op dit moment zonder een machtiging tot uithuisplaatsing. Deze is ook niet verzocht. De belanghebbenden uiten ter zitting hun twijfels over de vraag of [naam woongroep] de beste plek is voor [minderjarige], maar er is op dit moment geen alternatief. De jeugdbescherming moet de komende periode gaan bekijken of de huidige plek passend is voor [minderjarige] en zo niet, of een andere – meer passende – plek voor [minderjarige] kan worden gerealiseerd. Gelet op de voorlopige ondertoezichtstelling dient daar dan ook een machtiging tot een uithuisplaatsing voor te worden gevraagd. Daarbij geeft de kinderrechter mee dat de ouders op dit moment op een relatief grote afstand van [minderjarige] wonen en dat de vraag is of dat het beste voor [minderjarige] is. Verder moet worden bekeken welke hulpverlening voor [minderjarige] nodig is in het kader van zijn kind-eigen problematiek. Ook moet er met spoed worden gezocht naar een dagbesteding voor [minderjarige]. Het is belangrijk dat wordt gekeken naar wat een passende school voor hem zou zijn en dat hij tot die tijd andere dagbesteding kan volgen.
4.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] voor de bedreiging veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf en als bijzondere voorwaarde jeugdreclasseringstoezicht (uit te voeren door Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond) opgelegd. Daarnaast is als bijzondere voorwaarde opgelegd dat [minderjarige] een dagbesteding moet krijgen en daaraan moet meewerken. De jeugdbescherming en jeugdreclassering hebben dus een gezamenlijke taak.
4.6.
Bovengenoemde punten dient de Raad ook mee te nemen in het huidige kinderbeschermingsonderzoek.
4.7.
De kinderrechter stelt [minderjarige], gelet op al het voorgaande, voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond voor de duur van drie maanden.
Opmerking over de relatieve bevoegdheid van de kinderrechter
4.8.
De kinderrechter merkt op dat na de zitting en de mondelinge uitspraak gebleken is dat de moeder – de ouder waarbij [minderjarige] voor het laatst heeft gewoond – woonachtig is in Noord-Brabant. Mocht de Raad tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling overgaan tot een verzoek tot een ondertoezichtstelling, dan dient met de relatieve bevoegdheid van de rechtbank waar dat verzoek wordt gedaan rekening gehouden te worden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met ingang van 16 april 2026 tot 16 juli 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 door
mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 17 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [2]

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).