Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4605

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
11891478 RR FORM 25-100
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:628 lid 1 BWArt. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 15 Besluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing loonvordering wegens situatieve arbeidsongeschiktheid na arbeidsconflict

De werknemer trad op 1 januari 2025 in dienst als souschef bij Vicini B.V. en de arbeidsovereenkomst eindigde op 31 augustus 2025. De werknemer vorderde betaling van zijn salaris over augustus 2025, omdat hij zich op 29 juli 2025 ziek had gemeld wegens een arbeidsconflict. De bedrijfsarts constateerde situatieve arbeidsongeschiktheid en adviseerde een afkoelingsperiode.

De werkgever betaalde het salaris over augustus 2025 niet, stellende dat de werknemer zich onterecht ziek had gemeld en niet had gewerkt. De kantonrechter oordeelde dat situatieve arbeidsongeschiktheid onder artikel 7:628 lid 1 BW Pro valt, waarbij de werkgever het loon moet doorbetalen tenzij het niet werken redelijkerwijs voor rekening van de werknemer komt.

Vicini kon dit niet aannemelijk maken en erkende dat de werknemer zich na de afkoelingsperiode beschikbaar hield, maar niet werd ingedeeld. Daarom werd Vicini veroordeeld tot betaling van het salaris, de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente. Tevens werden de proceskosten aan Vicini opgelegd.

Uitkomst: Vicini wordt veroordeeld tot betaling van het salaris over augustus 2025, wettelijke verhoging, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11891478 RR FORM 25-100
datum uitspraak: 20 maart 2026
Vonnis van de regelrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
die zelf procedeert,
tegen
Vicini B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Vicini’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Deze zaak wordt behandeld door de regelrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).
1.2.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het aanvraagformulier van [eiser] dat de rechtbank op 23 september 2025 heeft ontvangen, met bijlagen, en
  • het reactieformulier van Vicini, met bijlagen,
  • nadere producties overgelegd door [eiser] .
1.3.
Op 9 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was de heer [eiser] aanwezig. Vicini is, ondanks dat zij wel is opgeroepen voor de zitting, niet verschenen.

2.De beoordeling

2.1.
[eiser] is op 1 januari 2025 in dienst getreden bij Vicini als souschef. Op 31 augustus 2025 is de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Vicini geëindigd. Deze procedure gaat over de vraag of Vicini aan [eiser] het salaris van augustus 2025 moet betalen.
2.2.
[eiser] is van mening dat de bovenstaande vraag bevestigend moet worden beantwoord. Hij stelt zich op het standpunt dat hij zich op 29 juli 2025 heeft ziekgemeld, waarna de bedrijfsarts heeft geconstateerd dat er sprake is van een arbeidsconflict en partijen een afkoelingsperiode heeft aanbevolen. Volgens [eiser] heeft hij zich na afloop van deze afkoelingsperiode weer beschikbaar gehouden voor werk. Vicini heeft zijn salaris over de maand augustus 2025 tot op heden niet uitbetaald. [eiser] vordert daarom in deze procedure dat Vicini wordt veroordeeld om zijn salaris van augustus 2025, ter hoogte van € 3.450,- bruto, aan hem te betalen, met wettelijke verhoging en wettelijke rente.
2.3.
Vicini is het niet eens met de vordering van [eiser] . Volgens Vicini heeft [eiser] zich onterecht ziek gemeld en hoeft zij het salaris over de maand augustus 2025 niet aan hem uit te betalen, omdat hij in deze maand ook niet heeft gewerkt.
2.4.
De kantonrechter wijst de eisen van [eiser] toe. Hierna zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Vicini moet het salaris van augustus 2025 aan [eiser] betalen
2.5.
[eiser] vordert betaling van het loon over de periode vanaf 29 juli 2025 tot 31 augustus 2025. Hiertoe heeft [eiser] aangevoerd dat hij zich heeft ziekgemeld als gevolg van een arbeidsconflict en dat Vicini verplicht was om zijn salaris gedurende deze periode door te betalen. De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [eiser] dat hij een beroep doet op situatieve arbeidsongeschiktheid, namelijk de situatie waarin een werknemer als gevolg van een arbeidsconflict niet kan werken wegens (dreigende) psychische of lichamelijke klachten, zonder dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte in de zin van artikel 7:629 BW Pro. [1]
2.6.
De rechter overweegt ten aanzien van het bovenstaande als volgt. Dat sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid wordt onderschreven door de constateringen van de bedrijfsarts op 6 augustus 2025, waaruit blijkt dat sprake is van een arbeidsconflict en dat de klachten van [eiser] niet voortkomen uit een ziekte of gebrek. Daarnaast heeft [eiser] tijdens de zitting verklaard dat hij op de werkvloer regelmatig werd geconfronteerd met onwenselijk gedrag, zoals pesten en intimidatie. Volgens [eiser] is de mentale belasting hierdoor te groot geworden, waarna hij zich heeft ziekgemeld. Deze stellingen zijn door Vicini niet meer betwist. Voor beantwoording van de vraag of [eiser] onder deze omstandigheden recht heeft op doorbetaling van zijn salaris is artikel 7:628 lid 1 BW Pro van belang. Volgens dat artikel is de werkgever verplicht het loon te voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Voor het slagen van een loonvordering is vereist dat de werknemer bereid is de bedongen arbeid te verrichten.
2.7.
Het is aan de werkgever om te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake is van een uitzondering op de hiervoor genoemde hoofdregel. Vicini heeft dat naar het oordeel van de rechter onvoldoende gedaan. Vicini heeft immers geen omstandigheden gesteld of stukken overgelegd waaruit blijkt dat het niet verrichten van de overeengekomen arbeid in dit geval in redelijkheid voor rekening van [eiser] behoort te komen. Bovendien heeft Vicini zelf erkend dat [eiser] zich na afloop van de door de bedrijfsarts geadviseerde afkoelingsperiode beschikbaar heeft gehouden voor werk, maar dat Vicini er desondanks voor heeft gekozen hem niet meer in te delen.
2.8.
Gelet op het voorgaande is Vicini gehouden het loon van [eiser] over de maand augustus 2025 door te betalen, nu niet is komen vast te staan dat het niet verrichten van arbeid in redelijkheid voor rekening van [eiser] behoort te komen. Vicini heeft de hoogte van het gevorderde loon niet betwist. Dat betekent dat de vordering van [eiser] wordt toegewezen en Vicini wordt veroordeeld om een bedrag van € 3.450,- bruto aan [eiser] te betalen.
Vicini moet de wettelijke verhoging betalen
2.9.
[eiser] vordert 50% wettelijke verhoging, zoals bepaald in artikel 7:625 BW Pro, over het salaris van augustus 2025. Dit is door Vicini niet weersproken, zodat dit zal worden toegewezen. De wettelijke verhoging bedraagt € 1.725,- (0,5 x € 3.450,-). De rechter ziet in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om over te gaan tot matiging van de wettelijke verhoging.
Vicini moet wettelijke rente betalen
2.10.
De wettelijke rente over het salaris van augustus 2025 zal worden toegewezen omdat Vicini dit niet heeft betwist.
Vicini moet de proceskosten betalen
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van Vicini, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 15 Besluit Pro). De regelrechter begroot de kosten die Vicini aan [eiser] moet betalen op € 257,- aan griffierecht en € 50,- aan onkosten voor iedere keer dat [eiser] naar de rechtbank is gekomen voor een zitting. Dat is in totaal € 307,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

3.De beslissing

De regelrechter:
3.1.
veroordeelt Vicini om aan [eiser] te betalen € 3.450,- bruto aan achterstallig salaris over de maand augustus 2025;
3.2.
veroordeelt Vicini om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging van 50% over het bedrag genoemd onder 3.1, zijnde € 1.725,- bruto;
3.3.
veroordeelt Vicini om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de bedragen genoemd in 3.1 en 3.2, vanaf de datum van opeisbaarheid tot de datum dat volledig is betaald;
3.4.
veroordeelt Vicini in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 307,-.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
64362
Bent u het niet eens met dit vonnis? Dan kunt u binnen drie maanden na de datum van de uitspraak het Gerechtshof in Den Haag vragen om de zaak opnieuw te beoordelen (hoger beroep). Dat doet u door de deurwaarder een dagvaarding te laten bezorgen bij de tegenpartij en die ook op te sturen naar het Gerechtshof. U heeft hiervoor een advocaat nodig.

Voetnoten

1.Hoge Raad, 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:BC7669, r.o. 3.5.2.