Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van een gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a lid 1 Faillissementswet, waarbij een akkoord werd aangeboden aan elf schuldeisers met een uitkering van 29,88% van de vorderingen. Tien schuldeisers stemden in, maar BE Mobile weigerde instemming met het akkoord.
De rechtbank overweegt dat BE Mobile gerechtigd is te verlangen dat haar volledige vordering wordt voldaan en dat de weigering in beginsel gegrond kan zijn. De vraag is of deze weigering redelijk is, waarbij de belangen van BE Mobile worden afgewogen tegen die van verzoeker en de overige schuldeisers.
De rechtbank constateert dat het aanbod onvoldoende betrouwbaar en controleerbaar is gedocumenteerd, met name de inleg van € 2.650,-- als waarde van een auto kan niet worden geverifieerd. Tevens is onduidelijk welk vermogen is meegenomen, en de schuldenaar volgt een BBL-opleiding waardoor hij niet kan deelnemen aan het arbeidsproces en niet voldoet aan de inspanningsverplichting.
Gelet op deze omstandigheden weegt het belang van BE Mobile zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Daarom wordt het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak, uitsluitend door een advocaat in te dienen bij het gerechtshof.