Verzoeker heeft op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De ontruiming was aangekondigd op basis van een vonnis van 2 december 2020, dat inmiddels meer dan vijf jaar oud is. Verzoeker kon de huurtermijnen niet betalen vanwege faillissementen van debiteuren en privéomstandigheden, maar heeft inmiddels de achterstallige huur betaald en voldoende inkomsten om de lopende termijnen te voldoen.
Verweerster, de verhuurder, is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming dreigt plaats te vinden. De belangenafweging weegt in het voordeel van verzoeker, die door het moratorium de mogelijkheid krijgt zijn schulden via schuldhulpverlening te saneren en zijn woonruimte te behouden.
De rechtbank legt als voorwaarde op dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan en dat schuldhulpverlening verslag uitbrengt over de voortgang. Tevens verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen. De voorziening geldt voor zes maanden vanaf 13 maart 2026.