Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4625

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
C/10/714755 / KG ZA 26-142
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing geldvordering en gebod tot correcte administratie door netbeheerder

Eiseres, een bakkerij en grillroom, vordert terugbetaling van door een derde betaalde bedragen aan Stedin, de netbeheerder, wegens onverschuldigde betaling. De rechtbank oordeelt dat het spoedeisend belang onvoldoende is onderbouwd, mede omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de financiering direct wordt teruggevorderd.

Stedin had onregelmatigheden aan de elektriciteitsmeter vastgesteld, waardoor meer energie werd afgenomen dan in rekening gebracht. De vof, de vorige contractant, werd aansprakelijk gesteld. Eiseres betwist niet dat de vordering op de vof ziet, maar Stedin stelt dat eiseres mede aansprakelijk is vanwege haar rol als gebruiker en bestuurder.

De rechtbank wijst de geldvorderingen af, maar legt Stedin op haar administratie zo te voeren dat duidelijk is of eiseres aan haar verplichtingen voldoet, om herhaling van afsluiting van de energietoevoer te voorkomen. De gevorderde dwangsom en het verbod op afsluiting worden afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Geldvorderingen afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang, maar Stedin wordt verplicht haar administratie zodanig te voeren dat duidelijk is of eiseres aan haar contractuele verplichtingen voldoet.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714755 / KG ZA 26-142
Vonnis in kort geding van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] B.V.,
advocaat: mr. B.A.S. van Leeuwen,
tegen
STEDIN NETBEHEER B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Stedin,
advocaat: mr. A. Ester.

1.De zaak in het kort

[eiser] B.V. vordert in deze procedure terugbetaling van geldbedragen aan haar financier, omdat deze namens [eiser] B.V. onverschuldigd zouden zijn betaald. De geldvorderingen worden afgewezen, omdat het spoedeisend belang bij die vorderingen niet is onderbouwd. Stedin wordt wel een gebod opgelegd om de bedrijfs- en/of persoonsgegevens en de debiteurenadministratie van [eiser] B.V. in haar administratie helder vast te leggen, zodanig dat steeds kenbaar is of [eiser] B.V. aan haar contractuele verplichtingen heeft voldaan.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 24 februari 2026, met producties 1 tot en met 14;
- producties 1 tot en met 12 van Stedin;
- de pleitnota van Stedin.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 1 april 2026 plaatsgevonden.

3.De feiten

3.1.
[eiser] B.V. is op 29 mei 2020 opgericht en exploiteert een bakkerij en grillroom. [eiser] B.V. heeft op 15 mei 2024 een energiecontract gesloten met een energieleverancier, met als leveringsadres [adres] in Utrecht. De vof [bedrijf 1] (hierna: ‘de vof’), ook een horecagelegenheid en met als handelsnaam [eiser] , was vanaf 1 februari 2021 tot 5 april 2024 contractant voor de levering van energie op dit adres.
3.2.
Op 25 september 2023 heeft Stedin het pand aan de [adres] bezocht en heeft zij daar onregelmatigheden vastgesteld aan de elektriciteitsmeter. Als gevolg hiervan is meer energie afgenomen dan in rekening is gebracht bij de vof. Stedin heeft de vof om die reden voor een bedrag van € 32.415,69 ( € 27.381,- aan te weinig afgerekende elektriciteit, vermeerderd met arbeidsloon en te weinig in rekening gebracht capaciteitstarief) op 9 januari 2024 aansprakelijk gesteld.
3.3.
Op 29 januari 2024 en 7 februari 2024 heeft Stedin de vof (nogmaals) gesommeerd om tot betaling van € 32.415,69 over te gaan. In de correspondentie op laatstgenoemde datum is tevens aangekondigd dat als de vof het openstaande bedrag niet betaalt, Stedin overgaat tot afsluiting c.q. onderbreking van het energietransport bij alle op naam van de vof staande aansluitingen.
3.4.
Op 8 februari 2024 maakt een zekere [naam 1] per e-mail (met afzender [mailadres] ) bezwaar tegen het in rekening gebrachte bedrag. Ondanks dit bezwaar is er een betalingsregeling getroffen met Stedin en heeft [bedrijf 2] B.V. een bedrag van € 1.500,- aan Stedin betaald op 5 maart 2024.
3.5.
Stedin schreef op 15 januari 2026 een brief, gericht aan [eiser] , waarin staat dat omdat zij de betalingsregeling niet is nagekomen, deze is komen te vervallen en [eiser] het openstaande bedrag van € 30.915,69 binnen vijf werkdagen na dagtekening van de brief moest betalen. Als [eiser] dit niet zou doen, zou Stedin overgaan tot afsluiting van de energietoevoer.
3.6.
Stedin heeft op 21 januari 2026 het pand bezocht om de energietoevoer op het leveringsadres af te sluiten.
3.7.
Op 21 januari 2026 heeft [bedrijf 2] B.V. (hierna: ‘ [bedrijf 2] ’) namens [eiser] B.V. een bedrag van € 32.116,53 aan Stedin betaald.
3.8.
Op 26 januari 2026 sommeert de advocaat van [eiser] B.V. Stedin om het bedrag van € 32.116,53, als zijnde een onverschuldigde en onder protest gedane betaling, terug te betalen aan [bedrijf 2] alsmede terugbetaling van € 5.000,- aan [bedrijf 2] als vergoeding voor de door [bedrijf 2] aan [eiser] B.V. verstrekte noodfinanciering. Stedin heeft de bedragen niet betaald.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] B.V. vordert – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en na vermindering van eis ter zitting:
Stedin te veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis aan [bedrijf 2] te voldoen een bedrag van € 32.116,53;
Stedin te veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis aan [bedrijf 2] te voldoen een bedrag van € 5.000,-;
Stedin te veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, over het onder a) genoemde bedrag, te rekenen vanaf 21 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
Stedin te veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, over het onder b) genoemde bedrag, te rekenen vanaf de dag waarop Stedin met betrekking tot dat bedrag in verzuim is tot aan de dag der algehele voldoening;
Stedin te gebieden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis schriftelijk en ondubbelzinnig aan [eiser] B.V. te bevestigen dat zij:
geen incasso-, afsluit- of andere (directe of indirecte) handhavingsmaatregelen zal (doen) richten tegen [eiser] B.V. ter zake van de door Stedin gestelde vordering die (naar aard en herkomst) betrekking heeft op de vof en/of enig andere derde, en zich – voor zover Stedin meent een vordering te hebben – uitsluitend zal wenden tot de partij die volgens de door Stedin gestelde grondslag debiteur is;
alle interne registraties, “vlaggen”, blokkades, risicocoderingen, notities en overige administratieve markeringen die (kunnen) leiden tot dreiging, afsluiting of verstoring van levering op het leveringsadres van [eiser] B.V., corrigeert en verwijdert, zodanig dat herhaling wordt voorkomen;
bedrijfs- en/of persoonsgegevens van [eiser] B.V. niet langer (onjuist) koppelt aan een vermeende schuldpositie van een derde en iedere verdere verwerking/verspreiding van onjuiste debiteureninformatie binnen haar organisatie staakt, teneinde verdere non-compliance met de GDPR te voorkomen;
Stedin te verbieden om (direct of indirect) over te gaan tot afsluiting, onderbreking, beperking of enige andere feitelijke verstoring van de energievoorziening op het leveringsadres van [eiser] B.V. op grond van de door Stedin gestelde vordering die (naar aard en herkomst) betrekking heeft op de vof en/of een derde, zolang niet in rechte (onherroepelijk, althans bij uitvoerbaar-bij-voorraad verklaard vonnis) is vastgesteld dat [eiser] B.V. ter zake enige betalingsverplichting heeft;
te bepalen dat Stedin een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag dat zij in gebreke blijft met de nakoming van één of meer van de onder e en/of f gevorderde geboden/verboden, met een maximum van € 25.000,-;
Stedin te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente;
althans zodanige voorziening(en) te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie
passend acht.
4.2.
Stedin voert verweer. Stedin concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] B.V., met veroordeling van [eiser] B.V. in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

De geldvorderingen van [eiser] B.V. worden afgewezen
5.1.
Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.
5.2.
[eiser] B.V. stelt een spoedeisend belang bij haar vordering onder (a) te hebben, omdat zij voor haar onder druk tot standgekomen betaling van het bedrag van € 32.116,53 aan Stedin een tijdelijke noodfinanciering bij [bedrijf 2] heeft moeten aangaan. Deze financiering legt een directe, voortdurende en lopende liquiditeitsdruk op [eiser] B.V. Dit heeft gevolgen voor de bedrijfsvoering van [eiser] B.V. [eiser] B.V. stelt in de dagvaarding dat zij het geleende bedrag zo spoedig mogelijk aan [bedrijf 2] moet terugbetalen. Stedin betwist het spoedeisend belang van [eiser] B.V., omdat de verhouding tussen [eiser] B.V. en [bedrijf 2] niet duidelijk is en [eiser] B.V. niet heeft aangetoond dat [bedrijf 2] heeft gedreigd met incassomaatregelen richting [eiser] B.V..
5.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser] B.V. betaling aan een derde, [bedrijf 2] , vordert. Het spoedeisend belang dat moet worden getoetst is niet dat van [bedrijf 2] , die immers geen eiseres is, maar dat van [eiser] B.V. zelf. [eiser] B.V. stelt dat [bedrijf 2] aandringt op onmiddellijke terugbetaling, maar [eiser] B.V. heeft nagelaten haar stelling dat haar een noodfinanciering is verstrekt en dat deze, zoals zij ter zitting stelt, onmiddellijk wordt opgeëist, te onderbouwen. [eiser] B.V. heeft immers geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat überhaupt sprake is van een lening en zo ja, onder welke voorwaarden deze lening is aangegaan. Van een eiseres in kort geding mag worden verwacht dat als zij een vordering als deze, het terugbetalen aan een derde van een door die derde betaald bedrag, instelt, onderbouwt waarom in deze omstandigheiden voor haar als eiseres in dit kort geding een spoedeisend belang bestaat. [eiser] B.V. kan niet volstaan met de blote stelling dat [bedrijf 2] de vordering voor haar heeft betaald en dat [bedrijf 2] dit bedrag onmiddellijk terugbetaald wil hebben. [eiser] B.V. moet aannemelijk maken welke afspraken zijn gemaakt met [bedrijf 2] en waarom van haar in dit concrete geval niet kan worden verwacht dat zij een bodemprocedure afwacht. Dit heeft [eiser] B.V. niet gedaan. Er is dus niet aannemelijk geworden dat een onmiddellijke voorziening is vereist. Vordering (a) wordt om die reden afgewezen.
5.4.
De voorzieningenrechter overweegt tegen overvloede nog het volgende over de aannemelijkheid van de vordering.
5.4.1.
Stedin heeft aangevoerd dat er onregelmatigheden op het leveringsadres zijn aangetroffen. De zegels van de elektriciteitsmeter waren verbroken, de zekeringen waren verzwaard naar 3 x 50 Ampère, terwijl er werd betaald voor een aansluitwaarde van 3 x 25 Ampère, en twee fasen werden niet bemeten. Stedin heeft het in rekening gebrachte bedrag van € 32.415,69 berekend aan de hand van een herberekening na het plaatsen van een nieuwe meter op 25 september 2023. Stedin heeft drie maanden nadien het verbruik gemeten en dat verbruik geëxtrapoleerd naar wat het verbruik had moeten zijn in de periode 25 september 2020 tot en met 25 september 2023 minus het bedrag dat de vof al had betaald voor het afnemen van energie. [eiser] B.V. heeft dit alles niet betwist. Dat Stedin een vordering van de gestelde omvang heeft, is gelet op het voorgaande voldoende aannemelijk, maar dat is voorshands niet een vordering op [eiser] B.V., maar op de vof. Stedin heeft ter zitting ook toegelicht dat als dit aspect van de situatie toen duidelijk was geweest de stroom niet zou zijn afgesloten (als dat al is gebeurd, maar daarvan gaat de voorzieningenrechter wel uit; zie ook hierna in 5.9).
5.4.2.
Voorshands is, in het licht van het vorenstaande, denkbaar dat de vaststaande betaling van € 32.116,53 onverschuldigd is geweest, omdat niet [eiser] B.V., maar de vof de schuldenaar was. Stedin voert echter aan dat dat niet zo is, omdat [eiser] B.V. sinds haar oprichting in 2020 al was gevestigd op het leveringsadres, ook in de periode dat de vof contractant was voor het afnemen van energie, en daardoor meegenoot van de illegaal aangelegde situatie van de elektriciteitsmeter. Bovendien is de heer [naam 2] als vennoot van de vof, die contractant was voor het afnemen van energie, en enig bestuurder en aandeelhouder van [eiser] B.V., verantwoordelijk en aansprakelijk voor de illegale situatie en de schade die daardoor is ontstaan. [eiser] B.V. had als gebruiker/huurder van het pand een zorgplicht om toe te zien op legaal gebruik van de elektrische installatie. Op grond van deze omstandigheden was ook [eiser] B.V. volgens Stedin gehouden om het aan de vof in rekening gebrachte bedrag te betalen. Dit zijn verweren die nader onderzoek, eventueel in een bodemprocedure, vergen.
5.5.
Vordering (b), betaling van € 5.000,- aan [bedrijf 2] als vergoeding voor de noodfinanciering, wordt eveneens afgewezen. Het spoedeisend belang bij deze vordering is niet onderbouwd. Bovendien heeft [eiser] B.V. niet aannemelijk gemaakt dat er überhaupt een afspraak is gemaakt over deze, substantiële, vergoeding van de noodfinanciering door [bedrijf 2] . [eiser] B.V. heeft haar standpunt op geen enkele wijze onderbouwd.
5.6.
Omdat de hoofdvorderingen (a) en (b) worden afgewezen, worden ook vorderingen (c) en (d), om de gevorderde geldbedragen te vermeerderen met wettelijke (handels)rente, afgewezen.
Stedin moet haar administratie bijwerken
5.7.
[eiser] B.V. vordert onder (e) een aantal geboden waarmee zij – kort gezegd – wil bereiken dat Stedin geen handhavingsmaatregelen richt tegen [eiser] B.V. ter betaling van de gestelde vordering (i.) en dat Stedin haar administratie bijwerkt, zodat herhaling van afsluiting van de energietoevoer wordt voorkomen (ii. en iii.). [eiser] B.V. legt aan deze vorderingen ten grondslag dat de afsluiting van de energietoevoer veel angst heeft ingeboezemd en dat wordt gevreesd voor herhaling als de bedrijfsgegevens van [eiser] B.V. niet goed worden geadministreerd door Stedin.
5.8.
Ter zitting is gebleken dat de gehele vordering van Stedin is betaald en dat er nu geen openstaande bedragen zijn. Vordering i. wordt dan ook bij gebrek aan belang afgewezen. Stedin heeft enkel als verweer tegen vorderingen ii. en iii. aangevoerd dat deze onvoldoende concreet zijn. De voorzieningenrechter passeert dit verweer en wijst de vorderingen als volgt toe. Stedin moet in haar administratie de bedrijfs- en/of persoonsgegevens en de debiteurenadministratie van [eiser] B.V. helder vastleggen, zodanig dat steeds kenbaar is of [eiser] B.V. aan haar contractuele verplichtingen heeft voldaan en herhaling van afsluiting of verstoring van levering op het leveringsadres wordt voorkomen, tenzij niet-nakoming van [eiser] B.V. van de overeenkomst daarvoor, gelet op de contractuele voorwaarden, een voldoende reden vormt en het voornemen daartoe behoorlijk is aangekondigd. [eiser] B.V. heeft voldoende belang bij haar vordering, omdat Stedin, zoals hiervoor al opgemerkt, ter zitting heeft erkend dat als bij de medewerker van Stedin die de energietoevoer heeft afgesloten op dat moment duidelijk was geweest dat er discussie was wie gehouden was om de vordering te betalen ( [eiser] B.V. of de vof), er niet tot afsluiting was overgegaan. Het belang dat Stedin voortaan goed administreert, is daarmee gegeven. Dat Stedin ter zitting nog aanvoert dat zij in haar administratie niet kan terugvinden dat er daadwerkelijk is afgesloten, maakt het voorgaande niet anders. [eiser] B.V. stelt immers dat zij voor drie uur geen energietoevoer had. Stedin ging hier kennelijk ook vanuit, omdat heraansluit- en buitendienstkosten in rekening zijn gebracht.
De voorzieningenrechter acht een termijn van binnen twee weken na betekening van dit vonnis redelijk. [eiser] B.V. heeft de gevorderde termijn van vijf werkdagen na betekening van dit vonnis niet toegelicht en Stedin heeft verzocht om een termijn die kan worden nagekomen gezien haar organisatiestructuur.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen
5.9.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. [eiser] B.V. heeft niet aannemelijk gemaakt dat een prikkel tot nakoming in de vorm van een dwangsom noodzakelijk is. Stedin heeft ter zitting bevestigd dat zij rechterlijke vonnissen nakomt.
Het wordt Stedin niet verboden om tot afsluiting van de energievoorziening over te gaan
5.10.
[eiser] B.V. vordert een verbod om opnieuw tot afsluiting van de energietoevoer over te gaan op het leveringsadres op grond van de gestelde vordering van Stedin. [eiser] B.V. legt aan de vordering ten grondslag dat zij vreest dat Stedin opnieuw tot afsluiting overgaat. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af. Stedin heeft aangevoerd dat de geldvordering is voldaan en dat uit dien hoofde geen sprake kan zijn van afsluiting dan wel onderbreking van de energietoevoer. Tegenover dit verweer heeft [eiser] B.V. onvoldoende aannemelijk gemaakt wat concreet het belang is bij deze vordering en welke omstandigheden tot toewijzing daarvan zouden moeten leiden.
De proceskosten worden gecompenseerd
5.11.
Hoewel [eiser] B.V. grotendeels ongelijk krijgt in deze procedure, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, mede gelet op de hiervoor genoemde gang van zaken rond de afsluiting die de aanleiding voor dit kort geding heeft gevormd.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
gebiedt Stedin om binnen twee weken na betekening van dit vonnis in haar administratie de bedrijfs- en/of persoonsgegevens en de debiteurenadministratie van [eiser] B.V. helder vast te leggen, zodanig dat steeds kenbaar is of [eiser] B.V. aan haar contractuele verplichtingen heeft voldaan,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten. Het is in het openbaar uitgesproken door mr. P. de Bruin op 15 april 2026.
3608/106