Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4632

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/2054
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij uitblijven beslissing ZW-uitkering

Verzoeker heeft op 22 januari 2026 een herbeoordeling van zijn recht op een Ziektewetuitkering per 15 november 2025 aangevraagd bij het UWV. Het UWV heeft nog niet op deze aanvraag beslist, waarop verzoeker beroep instelde tegen het uitblijven van een beslissing en tevens een voorlopige voorziening vroeg.

De voorzieningenrechter heeft verzoeker verzocht het spoedeisend belang toe te lichten, maar hierop is geen reactie gekomen. Het UWV heeft aangegeven dat verzoeker sinds september 2025 een bijstandsuitkering ontvangt. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verzoeker hiermee in zijn levensonderhoud kan voorzien.

Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2054

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 april 2026 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. I. Rhodes),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [persoon A] ).

Inleiding

1. Verzoeker heeft op 22 januari 2026 aan het UWV gevraagd om zijn recht op een Ziektewetuitkering per 15 november 2025 te beoordelen. Het UWV heeft nog niet op deze aanvraag beslist. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is.
5. Verzoeker voert aan dat hij arbeidsongeschikt is en niet kan werken. Hij stelt dat hij geen inkomsten heeft en daarom een spoedeisend belang heeft bij deze procedure. Het UWV heeft in het verweerschrift aangevoerd dat verzoeker volgens Suwinet sinds september 2025 een bijstandsuitkering ontvangt. De rechtbank heeft verzoeker daarom op 18 maart 2026 gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten door middel van een overzicht van zijn inkomsten en vaste lasten. Omdat er geen reactie is gekomen op deze brief, heeft de rechtbank op 1 april 2026 nogmaals aan verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten. Er is wederom geen reactie van verzoeker ontvangen.
6. Gelet op de informatie van het UWV gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat verzoeker inmiddels een bijstandsuitkering ontvangt. Hiermee kan hij in zijn levensonderhoud voorzien. Verzoeker heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij hiermee niet rond kan komen.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
De griffier is verhinderd om de uitspraak
te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.