ECLI:NL:RBROT:2026:464

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/10/710989 / JE RK 25-2482
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ambivalent contact en ouderlijke spanningen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2009. De minderjarige woont bij zijn vader en heeft recent twee contactmomenten gehad met zijn moeder, die positief verliepen, maar hij blijft ambivalent over het contact. De ouders ervaren spanningen en het contact tussen hen verloopt moeizaam.

Tijdens de zitting met gesloten deuren op 8 januari 2026 heeft de kinderrechter de minderjarige gehoord en de standpunten van de ouders en de GI afgewogen. De moeder stemt in met verlenging uit vrees dat het contact anders stopt, terwijl de vader stelt dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer weerstand oproept bij de minderjarige.

De kinderrechter concludeert dat de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds ernstig wordt bedreigd door de spanningen tussen de ouders en het wisselende contact met de moeder. Daarom is het noodzakelijk dat een jeugdbeschermer betrokken blijft om het contact te monitoren en zo nodig hulpverlening in te zetten. De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 24 juli 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 24 juli 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/710989 / JE RK 25-2482
Datum uitspraak: 8 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige]
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R. Kuijer, kantoorhoudende te Berkel en Rodenrijs,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 1 december 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige]
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij zijn vader.
2.3.
Bij beschikking van 24 april 2025 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 24 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft tijdens de mondelinge behandeling het verzoek en licht het als volgt toe. Na een lange periode waarin er geen contact heeft plaatsgevonden tussen de moeder en [voornaam minderjarige] , hebben er recent twee contactmomenten plaatsgevonden. Dit heeft gebeurd op initiatief van [voornaam minderjarige] zelf, daartoe gestimuleerd door de vader. [voornaam minderjarige] is ambivalent in zijn behoefte aan contact met de moeder. [voornaam minderjarige] heeft eerder aangegeven niet open te staan voor begeleiding vanuit het Omgangshuis, maar deze mogelijkheid bestaat nog steeds. Het is ook niet gelukt om [voornaam minderjarige] te motiveren voor individuele hulpverlening. Omdat [voornaam minderjarige] wisselend is in zijn uitspraken omtrent het contact met de moeder en omdat het opstarten hiervan nog pril is, is de GI van mening dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk is om dit contact te monitoren. Ook kan zo nodig nog hulpverlening worden ingezet. Daarnaast bestaan er nog steeds zorgen over het contact tussen de ouders. De vader heeft verzocht om het contact met de moeder in plaats van via e-mailberichten via WhatsApp te laten verlopen. De GI is van mening dat deze verandering op dit moment nog niet in het belang van [voornaam minderjarige] is.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek van de GI. De moeder is blij dat er twee contactmomenten met [voornaam minderjarige] hebben plaatsgevonden. Deze contactmomenten zijn positief verlopen. Er is echter nog geen nieuw contactmoment gepland. De moeder vreest dat het contact weer zal stoppen wanneer de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd.
4.2.
De vader brengt tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer niet tot een verbetering van de situatie heeft geleid, maar zorgt voor weerstand bij [voornaam minderjarige] De vader heeft [voornaam minderjarige] gemotiveerd om contact op te nemen met de moeder. Het contact tussen de vader en de moeder verloopt moeizaam. De vader heeft zijn best gedaan, maar de moeder houdt contact met de vader af. Een verbetering in het contact is in het belang van [voornaam minderjarige]

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [voornaam minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er is nog steeds sprake van spanningen tussen de ouders. Hierdoor is er ook geen contact tussen hen, ook niet in het belang van [voornaam minderjarige] Daarnaast is er geruime tijd geen contact geweest tussen [voornaam minderjarige] en de moeder. Het is van belang dat [voornaam minderjarige] onbelast contact kan hebben met beide ouders. Er hebben recent twee contactmomenten plaatsgevonden tussen [voornaam minderjarige] en de moeder. Deze zijn positief verlopen. Wel blijft [voornaam minderjarige] ambivalent in zijn behoefte aan contact met de moeder en lijkt hij terughoudend in het plannen van een nieuw contactmoment. Ook is het tot op heden niet gelukt om [voornaam minderjarige] te motiveren voor individuele hulpverlening, zoals een jongerencoach. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk is. In elk geval dient de komende periode te worden ingezet op het continueren van het contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder. Hierbij merkt de kinderrechter op dat het, mede gezien zijn leeftijd, van belang is dat [voornaam minderjarige] hierbij zoveel mogelijk zelf de regie voert. Mocht dit echter niet tot resultaat leiden, dan kan de jeugdbeschermer de regie overnemen en zo nodig hulpverlening inzetten. De kinderrechter zal dan ook de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengen voor de duur van zes maanden.
5.2.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 24 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026 door mr. S. Jordaan, kinderrechter, in aanwezigheid van L.M. Buurman en mr. R. van der Zeeuw als griffier, en op schrift gesteld op 20 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.