Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4647

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
C/10/715844 / JE RK 26-423
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling door ouderlijke strijd

De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een tweejarige minderjarige, vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling door de voortdurende conflicten tussen haar ouders. De kinderrechter heeft de zaak behandeld op 7 april 2026, waarbij zowel de ouders als de stiefvader en vertegenwoordigers van de Raad en Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond aanwezig waren.

Uit de stukken en de zitting blijkt dat de ouders in een langdurige strijd verwikkeld zijn, waarbij de minderjarige als instrument wordt ingezet. Er is sprake van huiselijk geweld en wederzijdse beschuldigingen, wat de ontwikkeling van het kind ernstig bedreigt. Ondanks eerdere zorgen en de noodzaak van hulpverlening is het de ouders niet gelukt passende hulp in te zetten.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling zijn vervuld. De minderjarige wordt onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond voor de duur van een jaar, met de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De kinderrechter benadrukt het belang van eerlijkheid en samenwerking tussen de ouders om de situatie te verbeteren en de ontwikkeling van het kind te waarborgen.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond voor de duur van een jaar wegens ernstige bedreiging van haar ontwikkeling door ouderlijke strijd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/715844 / JE RK 26-423
Datum uitspraak: 7 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, BRP-geregistreerd in [plaats] , feitelijk verblijvende in [verblijfplaats] ,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam stiefvader],
hierna te noemen: de stiefvader, wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informanten aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Noord,
gevestigd te Groningen, hierna te noemen: Jeugdbescherming Noord.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad met bijlagen van 27 februari 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • de verwijzingsbeschikking van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2026;
  • de reactie van de moeder met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 2 april 2026;
  • de verweerschriften van de moeder in de familierechtelijke procedures, binnengekomen bij de rechtbank op 2 april 2026;
  • de beschikking van het hof Den Haag van 17 september 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder en de stiefvader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de GI JBRR, [persoon B] .
1.3.
De GI Jeugdbescherming Noord is niet verschenen. De GI Jeugdbescherming Noord heeft de kinderrechter laten weten vanwege de reisafstand niet ter zitting aanwezig zullen zijn.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 3 maart 2026 de zaak verwezen naar de rechtbank Rotterdam.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] primair onder toezicht te stellen van JBRR en subsidiair van Jeugdbescherming Noord voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling, vanwege de onderlinge strijd tussen de ouders. [voornaam minderjarige] komt daardoor niet toe aan de ontwikkelingstaken die passen bij haar leeftijd. Er is in het verleden veel gebeurd, maar het is de ouders niet gelukt om passende hulp in te zetten. De ouders zien daarbij onvoldoende hun eigen aandeel in de situatie.

4.De standpunten

4.1.
JBRR ondersteunt het verzoek van de Raad. Als de ouders zich willen inzetten in het belang van [voornaam minderjarige] ziet de GI meerwaarde in een ondertoezichtstelling. Er kunnen twee jeugdbeschermers worden gekoppeld, maar zolang de ouders in een onderlinge strijd blijven gaat het niet lukken om stappen te zetten.
4.2.
De vader brengt ter zitting het volgende naar voren. De vader wil dat er een ondertoezichtstelling komt. De vader heeft al een langere tijd zorgen en hij heeft in 2024 zelf aan de bel getrokken. Hij maakt zich zorgen over de thuissituatie van [voornaam minderjarige] bij de moeder en de stiefvader. De verschillende rapporten bevatten feitelijke onjuistheden en de vader had graag gezien dat er aan waarheidsvinding wordt gedaan. De vader vindt het belangrijk dat alle betrokkenen eerlijk en rechtvaardig handelen. In mei 2026 staat er een intake gepland bij een mediator. De vader is blij er eindelijk een geschikte mediator is gevonden.
4.3.
De moeder heeft ter zitting aangegeven achter het verzoek van de Raad te staan. Een ondertoezichtstelling is nodig, omdat het de ouders niet lukt om de gemaakte afspraken in het belang van [voornaam minderjarige] na te komen. De moeder staat open voor hulpverlening en hoopt dat de vader daar ook voor openstaat. Het is belangrijk dat er zicht komt op de thuissituatie bij beide ouders. De moeder vindt het belangrijk dat er, naast het mediationtraject voor de ouders, hulp komt voor [voornaam minderjarige] . Het hoofdverblijf van [voornaam minderjarige] is bepaald in [verblijfplaats] , maar het is nog niet gelukt om haar daar in te schrijven.
4.4.
De stiefvader brengt ter zitting het volgende naar voren. Hij hoopt dat het in de toekomst lukt om tussen ouders een werkbare situatie te creëren voor [voornaam minderjarige] . Ook de stiefvader wil graag dat er hulp komt voor [voornaam minderjarige] . De mediation is namelijk echt gericht op de ouders.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [voornaam minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [voornaam minderjarige] is pas twee jaar oud, maar heeft al veel meegemaakt. Zij zou getuige zijn geweest van huiselijk geweld tussen de ouders en de ouders bevinden zich al een lange tijd in een onderlinge strijd. De ouders beschuldigen elkaar over en weer, wat heeft geleid tot aangiftes bij de politie. Het lukt de ouders niet om [voornaam minderjarige] buiten het conflict te houden. [voornaam minderjarige] wordt door beide ouders als instrument ingezet in de strijd. De kinderrechter heeft in december 2024, in een familierechtelijke procedure, al haar zorgen geuit over de strijd tussen de ouders en heeft zich uitgelaten over de noodzaak van hulpverlening. Tot op heden is het de ouders niet gelukt om passende hulpverlening in te zetten.
5.3.
De kinderrechter ziet ouders die de situatie willen verbeteren, maar onvoldoende in staat zijn om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen. Het is positief dat de intake voor het mediationtraject gepland staat. Ook ter zitting is duidelijk de verstoorde verstandhouding tussen de ouders goed zichtbaar. Er is sprake van een verschil in visie en in werkelijkheid. Er is geen vertrouwen in de ander en dit zal weer moeten groeien. Met de komst van een jeugdbeschermer en doordat er zicht komt op de thuissituaties kan een deel van de zorgen wellicht al worden weggenomen. Dit alles vergt flexibiliteit en acceptatie dat de situatie bij de andere ouder anders is. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat het de ouders de komende periode lukt om in het belang van [voornaam minderjarige] de nodige stappen te zetten. Daarvoor is het belangrijk om als ouders eerlijk te zijn naar zichzelf en naar elkaar, zodat er in het belang van [voornaam minderjarige] de nodige stappen kunnen worden gezet.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. De kinderrechter zal de GI de opdracht geven om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er geen enkele praktische binding is met [plaats] . De moeder en [voornaam minderjarige] staan daar weliswaar nog ingeschreven, maar haar verblijfplaats is in [verblijfplaats] . Het is belangrijk dat zij daar ook wordt ingeschreven, zodat er daar de komende periode passende hulp kan worden ingezet.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 7 april 2026 tot 7 april 2027;
6.2.
wijst af het meer of anders verzochte;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 17 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).