Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4671

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
C/10/716114 / JE RK 26-458
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige tot aan zijn meerderjarigheid vanwege ernstige zorgen over zijn veiligheid, gezondheid en ontwikkeling.

De minderjarige vertoont risicovol gedrag, waaronder middelengebruik en onveilige contacten, en heeft een verstoord dag- en nachtritme zonder dagbesteding. De moeder is onvoldoende in staat om hem de noodzakelijke sturing te bieden. Vrijwillige hulpverlening heeft onvoldoende grip gekregen doordat de minderjarige zich ontwijkt en afspraken niet nakomt.

De kinderrechter acht verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk om stabilisatie en begeleiding richting volwassenheid mogelijk te maken. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en geldt tot 20 januari 2027, de dag van meerderjarigheid van de minderjarige.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toe tot aan de meerderjarigheid van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Locatie Rotterdam
Zaaknummer: C/10/716114 / JE RK 26-458
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam- Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige]
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. H. Assal, waarnemend voor kantoorgenoot mr. R.F.H. Tamboeman, kantoorhoudende in Barendrecht.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon B] en [persoon C] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.
De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige]
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft op woongroep [naam woongroep] in Krimpen aan den IJssel.

3.Het verzoek van de Raad

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 20 januari 2027. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot aan zijn meerderjarigheid. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [voornaam minderjarige] is een intelligente en zelfstandige jongere, maar er zijn ernstige zorgen over zijn ontwikkeling. Hij bevindt zich in een kwetsbare fase van identiteitsontwikkeling en is daarbij beïnvloedbaar. De moeder maakt zich zorgen over zijn veiligheid en gezondheid, onder meer vanwege sombere gedachten en signalen van zelfverwaarlozing. Ook zijn er zorgen over middelengebruik en de wijze waarop hij dit financiert. [voornaam minderjarige] stelt zich regelmatig vermijdend op en heeft moeite met het aangaan van samenwerking met zijn familie. Zowel de moeder als de groep ervaren onvoldoende grip om [voornaam minderjarige] de noodzakelijke begrenzing en bescherming te bieden. De komende periode zal [voornaam minderjarige] richting volwassenheid moeten worden begeleid, waarbij diagnostiek en passende hulpverlening worden ingezet.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is ter zitting inhoudelijk verweer gevoerd. Zij refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter. De zorgen over [voornaam minderjarige] zijn groot, met name ten aanzien van zijn veiligheid en de risico’s die hij neemt. [voornaam minderjarige] ervaart onvoldoende begrenzing. De moeder wil hem graag zelf de veiligheid bieden die hij nodig heeft, maar ziet dat dit op dit moment onvoldoende lukt. Tot slot benadrukt de moeder dat zij twijfels heeft over de haalbaarheid van de gestelde doelen binnen de resterende termijn tot de meerderjarigheid van [voornaam minderjarige] , mede gelet op de bestaande wachtlijsten in de jeugdhulpverlening.

5.De informatie van de GI

5.1.
De GI onderschrijft de zorgen van de Raad en sluit zich aan bij het verzoek. De GI wijst erop dat de resterende termijn tot de meerderjarigheid van [voornaam minderjarige] beperkt is en dat, mede gelet op de wachtlijsten in de hulpverlening, niet alle doelen gerealiseerd zullen kunnen worden.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
Er is sprake van een samenstel van risicofactoren die [voornaam minderjarige] ’s veiligheid en gezondheid raken. [voornaam minderjarige] heeft risicovol gedrag vertoond, onder meer in verband met middelengebruik en het aangaan van onveilige contacten, en is daarbij beïnvloedbaar. Daarnaast spelen er zorgen over somberheid, een verstoord dag- en nachtritme en zelfverwaarlozing. [voornaam minderjarige] heeft geen dagbesteding en er is onvoldoende structuur in zijn leven, waardoor het risico op verdere ontregeling groot is. [voornaam minderjarige] heeft de kinderrechter verteld dat hij gemotiveerd is om komend schooljaar een nieuwe opleiding te gaan volgen en een nieuw bijbaantje te zoeken. Hoewel de kinderrechter deze ontwikkeling positief acht, is deze ook pril en moet worden bestendigd. Gelet op [voornaam minderjarige] ’s naderende meerderjarigheid, acht de kinderrechter het van belang dat [voornaam minderjarige] hier ondersteuning bij ontvangt. De kinderrechter overweegt dat de moeder betrokken is bij [voornaam minderjarige] , maar onvoldoende in staat is om hem de noodzakelijke sturing en begrenzing te bieden.
6.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. [voornaam minderjarige] ontwijkt diagnostiek en behandeling, komt afspraken niet na en onttrekt zich aan het gezag van zijn moeder en betrokken hulpverleners. Hierdoor heeft de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende grip gekregen op zijn situatie en veiligheid. De ondertoezichtstelling is daarom nodig.
6.4.
Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] Alle betrokkenen, waaronder [voornaam minderjarige] , zijn het erover eens dat een thuisplaatsing op dit moment niet haalbaar is. Het is daarom van belang dat zijn huidige verblijfplaats wordt voortgezet en geformaliseerd. Hoewel de resterende termijn tot de meerderjarigheid van [voornaam minderjarige] beperkt is, acht de kinderrechter het van belang dat in deze periode wordt gewerkt aan stabilisatie en het leggen van een basis voor zijn verdere ontwikkeling en zelfstandigheid. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de GI samen met [voornaam minderjarige] voortvarend aan het werk gaat, zodat zij bereiken wat bereikt kan worden in deze laatste maanden tot aan [voornaam minderjarige] ’s volwassenheid.
6.5.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] toewijzen voor de duur tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 20 januari 2027.
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 30 maart 2026 tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 20 januari 2027;
7.2.
verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 maart 2026 tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 20 januari 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026 door mr. C.N. Melkert, kinderrechter, in aanwezigheid van E.G.H. Kerr en mr. L.E. Vos als griffiers, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.