5.1.Verzoeker heeft in Rotterdam in de winteropvang verbleven. Op de zitting is door het college naar voren gebracht dat de winteropvang maximaal vier weken duurt. Dit zou kunnen betekenen dat verzoeker op dit moment niet meer tot de winteropvang wordt toegelaten. Het is de gemachtigde van verzoeker en het college niet bekend waar verzoeker op dit moment verblijft. Verzoeker heeft een drugsverleden, wat hem een kwetsbare persoon maakt die mogelijk niet heel zelfredzaam is. De voorzieningenrechter neemt daarom het spoedeisend belang in deze zaak wel aan en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. Op deze uitspraak is het juridisch kader van toepassing zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
8. In de Wmo 2015 is bepaald dat beschermd wonen en opvang worden verstrekt door de gemeente waartoe een aanvrager zich wendt.Dit noodzaakt tot landelijke afspraken tussen gemeenten over de wijze waarop hiermee mee omgegaan moet worden. Afspraken rondom de landelijke toegankelijkheid zijn tot stand gekomen op basis van een Convenant van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Hierbij zijn beleidsregels vastgesteld inzake de landelijke toegankelijkheid voor opvang en beschermd wonen op basis van de Wmo 2015. Deze afspraken zijn door de gemeente Rotterdam verwerkt in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2025 (beleidsregels). Artikel 4.4 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2025 legt de juridische basis voor deze beleidsregels.
9. In de beleidsregels is, kortgezegd, bepaald dat, indien is vastgesteld dat de aanvrager van opvang vóór het ontstaan van dakloosheid woonachtig was in een gemeente in een andere opvangregio, onderzocht wordt in welke gemeente of regio een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft en het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie, en daarmee het duurzaam herstel van de aanvrager. Bij dit onderzoek wordt in elk geval betrokken:
- de voorkeur van de aanvrager van opvang, de aanwezigheid van een positief sociaal netwerk (familie en vrienden);
- de aanwezigheid van bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de aanvrager (of van diens meekomende minderjarige kinderen), lopende hulpverlenings- zorg- of ondersteuningstrajecten en de aanwezigheid van een sociaal netwerk met een negatieve invloed.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt stelt dat verzoeker de grootste kans van slagen heeft op een succesvol traject en op duurzaam herstel in zijn herkomstgemeente, Haarlem. Het college heeft op basis van brp-onderzoek vastgesteld dat verzoeker een langdurig woonverleden heeft in Haarlem. Verzoeker heeft zelf verklaard dat hij in Haarlem hulp en een bijstandsuitkering heeft gehad. Dit maakt dat verzoeker bijzonder sterke banden heeft met deze gemeente. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat het voor hem vanwege zijn gestelde criminele verleden, zijn vermeende slechte reputatie en zijn gestelde connecties met bepaalde (criminele) personen niet veilig is in Haarlem. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt, zoals een aangifte van bedreiging of een verklaring van de politie. Het college heeft daarom niet op voorhand hoeven aannemen dat een hulptraject in de gemeente Haarlem al om die redenen niet succesvol zal zijn.
11. Verzoeker heeft evenmin onderbouwd dat bij hem sprake is van een sterke(re) binding met de gemeente en regio Rotterdam. Verzoeker heeft geen stukken overgelegd, zoals een arbeidscontract, waaruit blijkt dat hij contact heeft gehad met (potentiële) werkgevers en concreet zicht heeft op betaalde arbeid. Daarbij is niet gebleken dat verzoeker in Rotterdam over een (positief) sociaal netwerk beschikt. Al daarom heeft het college niet hoeven aannemen dat de kans op een succesvol traject groter is in Rotterdam dan in Haarlem. Wel heeft de gemachtigde van het college op de zitting gezegd dat, mocht verzoeker in bezwaar alsnog met documenten komen die zijn stellingen onderbouwen, het standpunt van het college wellicht anders kan komen te liggen.