Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4683

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/6675
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 ParticipatiewetArt. 58 lid 2 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijzondere bijstand voor griffierecht wegens niet-bestemming

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft op 1 april 2025 twee besluiten genomen waarin de aan eiser toegekende bijzondere bijstand voor het griffierecht, ter hoogte van € 187,- en € 374,-, werd ingetrokken en teruggevorderd. Dit omdat eiser de toegekende bijstand niet heeft gebruikt voor het doel waarvoor deze was verleend.

Eiser was in drie bij de rechtbank aanhangige zaken niet-ontvankelijk verklaard omdat hij het verschuldigde griffierecht niet had voldaan. De rechtbank oordeelt dat het college op grond van de Participatiewet bevoegd was de bijstand te herzien en terug te vorderen. Het feit dat eiser het bedrag alsnog wil gebruiken voor herzieningsverzoeken verandert hier niets aan; daarvoor dient een nieuwe aanvraag te worden ingediend.

De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond en wijst zijn verzoek tot terugbetaling van het griffierecht en vergoeding van proceskosten af. De uitspraak is gedaan door rechter D. Haan op 24 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van bijzondere bijstand voor griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6675

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. D. Gogar).

Procesverloop

Met twee besluiten van 1 april 2025 (de primaire besluiten) heeft het college de aan eiser toegekende bijzondere bijstand voor griffierecht ten bedrage van respectievelijk € 187,- en € 374,- ingetrokken en teruggevorderd.
Met een besluit van 23 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de Participatiewet (Pw) kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, kan het college kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
2. Bij twee besluiten van 4 december 2025 heeft het college aan eiser bijzondere bijstand verleend voor de betaling van het griffierecht in drie bij de rechtbank aanhangige zaken ten bedrage van in totaal € 561,-. Uit de uitspraken van deze rechtbank van 16 december en 23 december 2024 blijkt dat in de desbetreffende drie zaken eiser nietontvankelijk is verklaard, omdat hij het verschuldigde griffierecht niet heeft voldaan.
3. Vaststaat dat eiser de toegekende bijzonder bijstand niet heeft aangewend voor het doel waarvoor die was verleend. Gelet daarop heeft het college op goede gronden de verlening ingetrokken en het totale bedrag teruggevorderd. Dat eiser dat bedrag alsnog zou willen aanwenden voor herzieningsverzoeken betreffende de bedoelde uitspraken van de rechtbank maakt dat niet anders, want daarvoor zou hij een nieuwe aanvraag voor bijzondere bijstand moeten indienen. De toegekende bijzondere bijstand was daarvoor immer niet bestemd.
4. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
De rechter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.