Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4694

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2607459:R-RK en NL:TZ:2607460:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium bij huurachterstand en schuldsanering

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 23 januari 2026. Verzoeker kwam in financiële problemen doordat zijn toenmalige partner de huur niet betaalde, terwijl hij dacht dat zij dat deed. Hij heeft een netto inkomen van € 2.500 per maand, waarmee hij de lopende huur van circa € 650 kan voldoen. Tevens heeft hij betalingen gedaan om de huurachterstand in te lopen.

De verhuurder, verweerster, heeft aangegeven zich te schikken naar het oordeel van de rechtbank mits de lopende huurtermijnen worden voldaan. Schuldhulpverlening verklaarde dat verzoeker twee schuldeisers heeft en dat een minnelijk traject zal worden opgestart, hoewel de verhuurder niet wil meewerken aan een regeling.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming. Zij weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen, tegen het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Gezien de voldoende aannemelijkheid dat de lopende huurtermijnen worden voldaan, weegt het belang van verzoeker zwaarder.

De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.

De voorziening schort de ontruiming op en verlengt de huurovereenkomst voor de duur van de voorziening. Schuldhulpverlening dient uiterlijk twee weken voor afloop van de voorziening verslag uit te brengen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
yoepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
Uitspraak van 9 april 2026
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 24 maart 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 24 maart 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 1 april 2026«datum zitting».
Ter zitting van 1 april 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mr. A.F.M. den Hollander, advocaat van verzoeker (hierna: advocaat);
  • mevrouw [persoon A] en mevrouw [persoon B] , beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Agin Timmermans gerechtsdeurwaarders, gemachtigde van [verweerster] (hierna: verweerster), heeft voorafgaand aan de zitting op 31 maart 2026 een brief aan de rechtbank toegezonden. In deze brief is meegedeeld dat namens verweerster niemand ter zitting zal verschijnen.
De advocaat heeft na de zitting van 1 april 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft ter zitting meegedeeld dat hij in de problemen is gekomen omdat hij in de veronderstelling was dat zijn toenmalige partner zorg droeg voor betaling van de huur. Zij heeft de huur echter niet voldaan. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat zijn inkomen
€ 2.500,-- netto per maand bedraagt. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van ca. € 650,-- per maand te voldoen. Verzoeker heeft zijn vakantiegeld van dit jaar vervroegd uit laten keren om de huurachterstand in te lopen. Op 23 maart 2026 heeft hij een betaling van € 1.500,-- aan de gemachtigde van verweerster gedaan. Op 26 maart 2026 is de huur voor de maand april 2026 voldaan, alsmede een extra bedrag van € 250,-- om de huurachterstand verder in te lopen.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat verzoeker twee schulden heeft. Omdat de verhuurder niet wenst mee te werken aan een regeling, zal schuldhulpverlening worden opgestart. De verwachting is dat verzoeker zijn schuldeisers volledig kan betalen.

3.Het verweer

Bij brief van 31 maart 2026 heeft verweerster laten weten zich te zullen schikken naar het oordeel van de rechtbank, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 9 maart 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 25 maart 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 23 januari 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft een inkomen van € 2.500,-- netto per maand. Dit inkomen is voldoende om de lopende huurtermijnen van € 650,-- te voldoen. De huur voor de maand april 2026 is voldaan op 26 maart 2026. Daarnaast heeft verzoeker op 23 maart 2026 een bedrag van € 1.500,-- en op 26 maart 2026 een bedrag van € 250,-- voldaan om de huurachterstand in te lopen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat verzoeker slechts twee schuldeisers heeft. Omdat de verhuurder niet wil meewerken aan een betalingsregeling zal het schuldhulpverleningstraject worden opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 23 januari 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
24 maart 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.