Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4698

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2609017:R-RK en NL:TZ:2609018:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing moratoriumverzoek en niet-ontvankelijkheid verzoek toelating schuldsaneringsregeling

Verzoeker heeft op 8 april 2026 een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening (moratorium) ex artikel 287b Faillissementswet, gericht op het voorkomen van een ontruiming. Schuldhulpverlening gaf aanvankelijk aan dat alleen de sloten waren vervangen en geen ontruiming had plaatsgevonden. De rechtbank verzocht om opheldering, waarna verweerster bevestigde dat de woning op 8 april 2026 om 11.30 uur was ontruimd, hetgeen werd onderbouwd met een proces-verbaal.

Schuldhulpverlening stelde dat de inboedel toebehoorde aan verweerster en dat verzoeker belang had bij het moratorium om weer toegang tot de woning te krijgen. Verweerster gaf aan dat de ontruiming rechtmatig was uitgevoerd en juridisch voltooid. De rechtbank oordeelde dat het moratoriumverzoek niet toewijsbaar was omdat de ontruiming reeds had plaatsgevonden en het moratorium deze niet kan terugdraaien.

Daarnaast diende verzoeker een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in ex artikel 284, tweede lid, Fw. De rechtbank verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk omdat het minnelijk traject nog niet was gestart en naar verwachting niet op korte termijn zal worden afgerond, wat een vereiste is volgens artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw.

De rechtbank wees het moratoriumverzoek af en verklaarde het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk. Het vonnis werd op 9 april 2026 in het openbaar uitgesproken door rechter C.G.E. Prenger.

Uitkomst: Het moratoriumverzoek wordt afgewezen omdat de ontruiming reeds heeft plaatsgevonden en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een afgerond minnelijk traject.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
Uitspraak van 9 april 2026
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure en standpunten partijen

Verzoeker heeft op 8 april 2026 om 16.55 uur, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. Mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening) heeft in haar begeleidende schrijven bij het verzoekschrift meegedeeld dat alleen de sloten zijn vervangen en geen ontruiming heeft plaatsgevonden.
De rechtbank heeft op 9 april 2026 per e-mailbericht verzocht aan mr. R.J. Bakker, advocaat van mevrouw [verweerster] , wonende te Rotterdam (hierna: verweerster) duidelijkheid te geven over de vraag of er is ontruimd, met het verzoek schuldhulpverlening in cc. mee te nemen zodat zij vervolgens een nader standpunt kan innemen.
Mr. R.J. Bakker heeft bij e-mailbericht van 9 april 2026 10.53 uur gereageerd met de mededeling dat de woning op 8 april 2026 om 11.30 uur is ontruimd en heeft het betekeningsexploot tot ontruiming van 1 april 2026 en het proces-verbaal van ontruiming van 8 april 2026 overgelegd.
Schuldhulpverlening heeft op de e-mail van mr. Bakker gereageerd bij e-mailbericht van 9 april 2026 12.09 uur met de mededeling dat er contact is geweest met de deurwaarder, die heeft meegedeeld dat alleen de sloten zijn vervangen omdat een groot gedeelte van de inboedel toebehoort aan verweerster. Schuldhulpverlening stelt zich op het standpunt dat er belang bij het treffen van een moratorium is, zodat verzoeker weer toegang krijgt tot zijn woning. Verzoeker wenst in de woning te blijven.
Mr. Bakker heeft vervolgens bij e-mailbericht van 9 april 2026 12.27 uur meegedeeld dat de inboedel toebehoort aan verweerster en dat het vonnis tot ontruiming op rechtmatige wijze ten uitvoer is gelegd en dat met het opmaken van het proces-verbaal van ontruiming de executie juridisch is voltooid.
De rechtbank doet de zaak op de stukken af en bepaalt de uitspraak op vandaag.

2.De beoordeling

Voor toewijsbaarheid van het verzoek is vereist dat door verzoeker is aangetoond dat er sprake is van een bedreigende situatie en bovendien dat er rechtens een belang bestaat bij de gevraagde voorziening. Naar het oordeel van de rechtbank is er van een dergelijke situatie geen sprake. De ontruiming heeft op 8 april 2026 om 11.30 uur al plaatsgevonden, voorafgaand aan de indiening van onderhavig verzoekschrift, hetgeen ook blijkt uit het door verweerster overgelegde proces-verbaal van ontruiming. Verzoeker heeft, nu de ontruiming reeds heeft plaatsgevonden, geen belang meer bij het verzoek dat ertoe strekt de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis tegen te gaan. Het moratorium ex artikel 287b Fw kan een ontruiming die reeds heeft plaatsgevonden niet terugdraaien. Reeds op deze grond dient het verzoek dus te worden afgewezen.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook niet inzichtelijk is gemaakt of de lopende huurtermijnen zijn betaald. Het niet-tijdig betalen van de lopende huurtermijnen levert eveneens een afwijzingsgrond op.
Verzoeker heeft tevens een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw ingediend. Nu het minnelijk traject nog niet is opgestart en naar verwachting het minnelijke traject niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis
mede te ondertekenen