Mevrouw verzoekster bevindt zich in een problematische schuldensituatie en heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 4 maart 2026, waarbij ook de partner, schuldhulpverlener en beschermingsbewindvoerder aanwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat mevrouw verzoekster niet eerst een minnelijk aanbod aan schuldeisers heeft gedaan, maar dat dit in haar situatie niet mogelijk was vanwege onduidelijkheid over de schuldenlast en het nieuwe huwelijksvermogensrecht. Hierdoor is zij ontvankelijk in haar verzoek. Tevens voldoet zij aan de voorwaarden van problematische schulden en te goeder trouw zijn bij het ontstaan van de schulden.
De rechtbank stelt de looptijd van de Wsnp vast op 18 maanden en bepaalt de ingangsdatum op 11 maart 2026, de datum van het vonnis. Een eerdere ingangsdatum wordt niet vastgesteld omdat niet is aangetoond dat aan de verplichtingen van het voorafgaande schuldhulpverleningstraject is voldaan, mede door het ontbreken van recente medische stukken en vtlb-berekeningen.
Er wordt een bewindvoerder benoemd die de verplichtingen van mevrouw verzoekster zal controleren en de boedel zal beheren. Ook wordt een rechter-commissaris benoemd die toezicht houdt op de bewindvoerder. De post wordt gedurende de eerste 13 maanden geblokkeerd en naar de bewindvoerder gestuurd. Bij naleving van de verplichtingen eindigt het traject met een schone lei, waardoor schuldeisers hun vorderingen niet meer kunnen verhalen.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na de uitspraak, uitsluitend door een advocaat in te stellen bij het gerechtshof.