De officier van justitie verzocht op 16 maart 2026 om voortzetting van een op 14 maart 2026 opgelegde crisismaatregel voor betrokkene, die verblijft in een GGZ-instelling. De medische verklaring van een psychiater stelde dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel door een psychotisch toestandsbeeld, met risico op ernstig lichamelijk letsel, psychische schade en maatschappelijke teloorgang.
Tijdens de mondelinge behandeling op 18 maart 2026 verschenen betrokkene met haar advocaat, een arts van de GGZ-instelling en haar ouders. Betrokkene betwistte het psychotisch beeld en gaf aan lichamelijke klachten te hebben door een ongeluk in 2016, maar weigerde medisch onderzoek. De rechtbank achtte de medische verklaring van de onafhankelijke psychiater betrouwbaarder.
De rechtbank oordeelde dat de crisissituatie te ernstig is om de procedure voor een zorgmachtiging af te wachten. Verplichte zorg zoals medicatie, medische controles, bewegingsbeperking, en opname in een accommodatie werden noodzakelijk geacht. Andere gevraagde maatregelen werden afgewezen wegens onvoldoende noodzaak.
De rechtbank had onvoldoende vertrouwen in vrijwilligheid of een minder bezwarend alternatief, mede omdat betrokkene zich afwerend opstelde en het ernstig nadeel ook bij haar ouders plaatsvond. De machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel werd verleend voor drie weken, tot en met 8 april 2026.