Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4703

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
C/10/716492 / FA RK 26/2102
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:7 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

De officier van justitie verzocht op 16 maart 2026 om voortzetting van een op 13 maart 2026 opgelegde crisismaatregel voor betrokkene, die verblijft in een GGZ-instelling. De mondelinge behandeling vond plaats op 18 maart 2026, waarbij betrokkene, zijn advocaat en behandelaren verschenen. De officier was niet aanwezig.

Uit de medische verklaring en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt, waaronder agressie, verwaarlozing en een onbehandelde ontsteking. Er is sprake van een psychotische stoornis met mogelijk een onderliggende neurodegeneratieve aandoening. Betrokkene vertoont paranoïde gedrag en oninvoelbaarheid, met een groot risico op herhaling van agressie en maatschappelijke teloorgang.

De rechtbank oordeelt dat het ernstig nadeel acuut en dreigend is en dat voortzetting van de crisismaatregel noodzakelijk is. De voorgestelde verplichte zorg, waaronder medicatie, medische controles, bewegingsbeperkingen en opname, is evenredig en effectief. Minder bezwarende alternatieven ontbreken. De machtiging wordt verleend voor drie weken tot en met 8 april 2026.

De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor drie weken wegens acuut ernstig dreigend nadeel.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/716492 / FA RK 26/2102
Referentienummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 18 maart 2026 betreffende een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1969, [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats] ,
op dit moment verblijvende in [naam GGZ-instelling] , [afdeling] te [plaats] ,
advocaat mr. L.A. Middelkoop te Rotterdam.

1.Procesverloop

1.1.
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 16 maart 2026, heeft de officier verzocht om voortzetting van de op 13 maart 2026 opgelegde crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • een afschrift van de beslissing tot het nemen van de crisismaatregel van 13 maart 2026;
  • de medische verklaring opgesteld door [persoon A] , psychiater, van 13 maart 2026;
  • het historisch overzicht, waarop geen eerder afgegeven machtigingen staan vermeld anders dan de crisismaatregel;
  • de relevante politiegegevens van betrokkene;
  • het bericht dat er geen relevante strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
  • [persoon B] , psychiater, en [persoon C] , sociaalpsychiatrisch verpleegkundige, beide verbonden aan Antes (hierna: de behandelaren).
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden met behulp van een tolk Roemeens.
1.3.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2.Beoordeling

2.1.
Uit de medische verklaring blijkt dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade en ernstige verwaarlozing. Voorafgaand aan de opname heeft familie betrokkene geprobeerd over te halen naar de nachtopvang te gaan. Betrokkene is daarop boos geworden en heeft zijn dochter in het gezicht geslagen. Betrokkene zorgt niet goed voor zichzelf en heeft onder andere een onbehandelde ontsteking in zijn mond waarvoor dringend zorg nodig is. Daarnaast eet betrokkene slecht, waardoor hij veel is afgevallen. Ook kan betrokkene uit het niets fors agressief worden.
De behandelaar verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat betrokkene oninvoelbaar is, dat de kans op herhaling van agressie groot is en dat er sprake is van maatschappelijke teloorgang. Betrokkene had in het verleden een bedrijf met zijn familie, hij geeft nu (vanuit achterdocht) veel geld uit aan hotels en wil niet naar de nachtopvang. Dit past niet bij het leven dat betrokkene eerder had.
Namens betrokkene wordt met betrekking tot het ernstig nadeel aangevoerd dat er geen sprake is van acuut ernstig dreigend nadeel. Betrokkene is, behoudens het in algemene termen omschreven incident met zijn dochter, toen hij geen bemoeienis wilde, niet eerder agressief geweest en vertoont op de afdeling kennelijk ook geen agressief gedrag. Dat hij ‘oninvoelbaar’ zou zijn, is onvoldoende om een crisismaatregel voort te zetten. Dat er sprake zou zijn van maatschappelijke teloorgang is ook onvoldoende voor het aannemen van acuut ernstig nadeel, aldus de advocaat.
In reactie op dit verweer lichten de behandelaren toe dat betrokkene een jaar eerder bij Antes in beeld is geweest en dat zijn dochter toen heeft aangegeven dat hij zijn echtgenote zou slaan. Er is dus wel een patroon van agressie incidenten en zij achten de kans op herhaling van agressie groot. Daarnaast is er sprake van overbelasting van de familie, mede gelet op de agressie, familie is bang van betrokkene.
Ten aanzien van deze laatste informatie brengt de advocaat naar voren dat deze informatie niet uit het dossier blijkt en dat zij zich refereert. Betrokkene betwist dat hij agressief is geweest naar zijn zus.
De rechtbank oordeelt dat het niet goed gaat met betrokkene en er sprake is van acuut ernstig dreigend nadeel. Er is sprake van meerdere agressie incidenten en het lukt de familie niet meer om betrokkene te begeleiden.
2.2.
Uit de medische verklaring blijkt dat dit nadeel vermoed wordt te worden veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van een psychotische stoornis, nog niet duidelijk in welk kader met mogelijk onderliggend een neurodegeneratieve aandoening.
Tijdens de mondelinge behandeling betwist de advocaat namens betrokkene dat er sprake is van een psychose en vraagt zij zich af of voldoende onderbouwd is dat de Wvggz het juiste kader is.
De behandelaren verklaren tijdens de mondelinge behandeling dat zij een betrokkene zien die op hen paranoïde overkomt, hij is achterdochtig, bij het eten bijvoorbeeld maar ook als mensen op zijn kamer komen. Hij zegt zelf ook dat hij denkt dat er dingen in de medicijnen zitten. Verder maken de behandelaren zich zorgen want hen valt op dat hij een vreemde loop heeft en bewegingen maakt met zijn lijf, wat doet vermoeden dat er iets neurologisch aan de hand is. De behandelaren achten het van belang om betrokkene te kunnen onderzoeken om vast te stellen wat maakt dat er een psychotisch toestandsbeeld ontstaat, mogelijk op de medisch psychiatrische unit. De behandelaren zien een psychotische man, wat de onderliggende oorzaak ook is, de psychose moet ook behandeld worden.
De rechtbank oordeelt dat duidelijk is dat het met betrokkene niet goed gaat maar dat nog onduidelijk is hoe dat komt. Het is noodzakelijk dat de onderliggende oorzaak wordt onderzocht, vooralsnog komt het kader van de Wvggz de rechtbank niet onbegrijpelijk voor.
2.3.
De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.
2.4.
Namens betrokkene wordt afwijzing van het verzoek bepleit. Betrokkene vindt dat hij ten onrechte is opgenomen en wil hier niet langer blijven.
Uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene lange tijd zorg vanuit de GGZ heeft gehad maar dat hij zorgmijdend is en dat het vermoeden is dat hij al lang geen medicijnen meer gebruikt. Betrokkene heeft geen ziektebesef. Betrokkene is wisselend bereid om in de kliniek te blijven, hij wil geen medicijnen, behalve om te slapen. Ook heeft betrokkene dringend adequate mondzorg nodig.
De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat. Het is noodzakelijk dat er nader onderzoek plaatsvindt. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.5.
Op basis van de medische verklaring en de mondelinge behandeling, acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
  • het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen;
  • het beperken van de bewegingsvrijheid;
  • het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken;
  • het opnemen in een accommodatie.
2.6.
De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg, te weten het toedienen van vocht en voeding, het insluiten, het uitoefenen van toezicht op betrokkene, het onderzoek aan kleding of lichaam, het onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen, het controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen en het beperken van het recht op het ontvangen van bezoek worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd en de behandelaar tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd heeft verklaard dat deze niet nodig zijn om het ernstig nadeel af te wenden.
2.7.
De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.8.
Gelet op het voorgaande zal een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel worden verleend, welke machtiging een geldigheidsduur heeft van drie weken na vandaag.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van [betrokkene] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.5. kunnen worden getroffen;
3.3.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 8 april 2026;
3.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 18 maart 2026 mondeling gegeven door mr. S.L. Raphael, rechter, in tegenwoordigheid van R. van Wijngaarden, griffier, en op 1 april 2026 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.