Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[verweerster 1] B.V.,
gemachtigden: mrs. M.A. Putting en A.R.J. van der Meij.
1.De procedure
- het verzoekschrift van 5 maart 2026 van [verzoekster] , met bijlagen;
- het verweerschrift van [verweerster 1] en [verweerster 2] , met bijlagen;
- de spreekaantekeningen van mr. Sala.
- [verzoekster] , mevrouw Nie (tolk) en mr. Sala;
- de heer [indirect bestuurder] (indirect bestuurder van [verweerster 1] ) en mr. Putting.
2.De feiten
3.Het geschil
- dat voor recht wordt verklaard dat de arbeidsovereenkomst niet (rechtsgeldig) is geëindigd;
- dat, voor zover sprake is van opzegging door de werkgever, die wordt vernietigd;
- dat de werkgever wordt veroordeeld tot het betalen van achterstallig loon over januari en februari 2026 met wettelijke verhoging en rente en tot het doorbetalen van het loon tot 1 april 2026;
- dat de werkgever wordt veroordeeld [verzoekster] ziek te melden bij het UWV, op verbeurte van een dwangsom als de werkgever dat niet doet;
- dat de werkgever in de proceskosten wordt veroordeeld.
4.De beoordeling
€ 1.709,58+