Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4783

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
12129088 VZ VERZ 26-821
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:667 BWArt. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 288 RvArt. 7.1 cao
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loondoorbetaling na onduidelijke opzegging arbeidsovereenkomst wegens ziekte

De kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam behandelde een geschil tussen een spoelkeukenmedewerkster en haar werkgever over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en loondoorbetaling.

De werknemer meldde zich ziek vanwege rugklachten en vroeg verlof aan, dat werd afgewezen. Zij gaf vervolgens aan ontslag te nemen, maar de kantonrechter oordeelde dat deze mededeling niet duidelijk en ondubbelzinnig was en dat de werkgever onvoldoende onderzoek deed naar haar werkelijke wil. De arbeidsovereenkomst liep daarom door tot de afgesproken einddatum.

De werkgever werd veroordeeld tot betaling van achterstallig loon over januari tot en met maart 2026, met een gematigde wettelijke verhoging. Verzoeken tot vernietiging van opzegging door de werkgever en ziekmelding bij het UWV werden afgewezen. Proceskosten werden grotendeels aan de werkgever opgelegd.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig opgezegd door de werknemer en de werkgever wordt veroordeeld tot loondoorbetaling tot 1 april 2026 met wettelijke verhoging en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12129088 VZ VERZ 26-821
datum uitspraak: 21 april 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster],
woonplaats: [plaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. H. Sala,
tegen

1.[verweerster 1] B.V.,

vestigingsplaats: Rotterdam,
2. [verweerster 2] B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
verweersters,
gemachtigden: mrs. M.A. Putting en A.R.J. van der Meij.
De partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’, ‘ [verweerster 1] ’ en ‘ [verweerster 2] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van 5 maart 2026 van [verzoekster] , met bijlagen;
  • het verweerschrift van [verweerster 1] en [verweerster 2] , met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van mr. Sala.
1.2.
Op 24 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken, tegelijk met het kort geding van [verzoekster] tegen [verweerster 1] en [verweerster 2] . Het kort geding is ingetrokken. Aanwezig waren:
  • [verzoekster] , mevrouw Nie (tolk) en mr. Sala;
  • de heer [indirect bestuurder] (indirect bestuurder van [verweerster 1] ) en mr. Putting.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] is sinds september 2024 werkzaam bij [bedrijf] in [plaats] , laatstelijk in de functie van spoelkeukenmedewerkster. Haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is voor het laatst verlengd tot 1 april 2026.
2.2.
Op zondag 11 januari 2026 heeft [verzoekster] naar haar manager een tekstbericht gestuurd met de mededeling dat zij niet naar werk kan komen vanwege rugklachten sinds zaterdag en dat zij meteen verlof heeft aangevraagd. In het systeem is op zaterdag 10 januari 2026 een aanvraag van [verzoekster] geregistreerd voor verlof van maandag 12 tot en met vrijdag 16 januari 2026 met als reden: ‘ik ben gevallen en kon niet naar werk’. Die aanvraag is op zondag 11 januari 2026 afgewezen door de heer [indirect bestuurder] (de indirect bestuurder van [verweerster 1] , hierna: [indirect bestuurder] ), met als toelichting dat [verzoekster] gewoon op het werk wordt verwacht en maar zittend werk moet gaan doen.
2.3.
In reactie op de afwijzing van de verlofaanvraag heeft [verzoekster] op 11 januari 2026 naar [indirect bestuurder] gemaild:
‘(…) Mijn excuses dat ik een week vrij heb genomen; ik heb dat alleen gedaan omdat ik niet wist wanneer mijn rug zou genezen. Aangezien je mijn reden voor het nemen van verlof niet begrijpt en er niet mee akkoord gaat, neem ik ontslag. Het spijt me, ik kan echt niet naar mijn werk gaan. (…)’.
2.4.
[indirect bestuurder] heeft [verzoekster] – voor zover relevant – het volgende teruggemaild:
‘(…) Op de eerste plaats heb je getekend voor de ‘ Spelregels bij Ziekte’, waarin duidelijk in artikel 1 omschreven Pro staat hoe je je ziek moet melden. Je dient daarvoor persoonlijk mondeling contact op te nemen met het restaurant, en vervolgens dien je je ook ziek te melden bij de arbodienst. Ten tweede doe je dat niet middels een verlofaanvraag. Daar vraag je alleen vrije dagen of vakantie mee aan. Je zult dus begrijpen dat wij de ziekmelding niet accepteren. Althans, dat begrijp je kennelijk niet, want anders dien je niet direct je ontslag in. (…) Wij zijn altijd bereid om het gesprek aan te gaan met je, als zaken onduidelijk zijn. Maar mocht je je ontslag toch willen indienen, dan heb je te maken met een wettelijke opzegtermijn van 1 kalendermaand. Dat betekent, dat je tot en met 28 februari moet blijven werken. Doe je dat niet, dan ben je ook nog eens een schadevergoeding schuldig aan ons van 1 maandsalaris.
Dus denk even goed na, wat je beslissing is. Wij zijn te allen tijde bereid om met je in gesprek te gaan. (…)’
2.5.
[verzoekster] reageert daarop per mail (nog steeds op zondag 11 januari 2026) dat er mogelijk een misverstand is ontstaan door haar gebrekkige Nederlands, dat het haar fout is dat zij de regels niet begreep, dat zij een alleenstaande moeder is die moet werken omdat zij geld nodig heeft om te leven, dat zij zou werken als er geen noodgeval was en dat zij het niet beschouwt als ziekteverlof maar als onbetaald verlof omdat het een uitzonderlijk noodgeval is. Zij schrijft verder:
‘(…) Tot slot wil ik zeggen dat ik absoluut niet kan werken. Bedankt voor uw begrip. Als de gevolgen zijn zoals u beschreef, kan ik er niets aan doen; ik zal een advocaat inschakelen. Want ik moet leven. Ik wens u veel succes met uw bedrijf. (…)’.
2.6.
Op maandagochtend 12 januari 2026 heeft [indirect bestuurder] [verzoekster] het volgende gemaild:
‘(…) Omdat sommige onderwerpen niet helemaal duidelijk zijn voor je, wil ik je vragen vanmiddag om 14:00 uur naar het restaurant te komen, zodat ik je kan uitleggen, hoe de spelregels zijn. (…)’
2.7.
[verzoekster] is niet op die uitnodiging ingegaan en heeft tot 31 januari 2026 helemaal niets meer van zich laten horen.
2.8.
Op zaterdag 31 januari 2026 heeft [indirect bestuurder] naar [verzoekster] gemaild:
‘(…) Sinds 11 januari jl. Ben je met onbetaald verlof, zoals je zelf verzocht hebt. We zijn inmiddels 3 weken verder, en je hebt totaal niets meer van je laten horen. Ik sommeer je je werkzaamheden te hervatten per maandag 2 februari aanstaande. Ik wil je erop wijzen, dat er vanaf 11 januari geen geld wordt uitbetaald, omdat je onbetaald verlof hebt aangevraagd. Ik ga er vanuit, dat je je dit realiseert. (…)’
2.9.
Daarop heeft [verzoekster] per mail van 31 januari 2026 – voor zover relevant – als volgt gereageerd:
‘(…) Ik herhaal: ik heb de arbeidsovereenkomst om gezondheidsredenen per e-mail beëindigd. Ik heb in mijn eerste e-mail duidelijk gemaakt dat dit geen kinderachtige reactie is. (…)’
2.10.
Van de kant van de werkgever is bij brief van 2 februari 2026 het volgende meegedeeld aan [verzoekster] :
‘(…) Op 31 januari jl. heb je schriftelijk je ontslag ingediend.
Middels deze brief bevestigen wij je ontslag op eigen verzoek. De arbeidsovereenkomst zal per 31 januari 2026 worden beëindigd.
Voor de goede orde willen wij jou er op wijzen, dat je, door deze gang van zaken, naar alle waarschijnlijkheid niet in aanmerking zult komen voor een WW-uitkering. (…)”
2.11.
[verzoekster] heeft via haar gemachtigde bij brief van 12 februari 2026 laten weten aan de werkgever dat zij het niet eens is met beëindiging van de arbeidsovereenkomst door ontslag op eigen verzoek, dat zij zich beschikbaar houdt voor werkzaamheden en medische begeleiding en dat zij aanspraak heeft op loondoorbetaling.

3.Het geschil

3.1.
[verzoekster] verzoekt (samengevat):
  • dat voor recht wordt verklaard dat de arbeidsovereenkomst niet (rechtsgeldig) is geëindigd;
  • dat, voor zover sprake is van opzegging door de werkgever, die wordt vernietigd;
  • dat de werkgever wordt veroordeeld tot het betalen van achterstallig loon over januari en februari 2026 met wettelijke verhoging en rente en tot het doorbetalen van het loon tot 1 april 2026;
  • dat de werkgever wordt veroordeeld [verzoekster] ziek te melden bij het UWV, op verbeurte van een dwangsom als de werkgever dat niet doet;
  • dat de werkgever in de proceskosten wordt veroordeeld.
[verzoekster] is van mening dat zij nog in dienst is bij de werkgever en recht heeft op loon van 11 januari tot 1 april 2026. Zij stelt dat de werkgever de mededelingen van [verzoekster] niet als opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft mogen begrijpen. Bij haar ontbrak de wil om haar arbeidsovereenkomst te beëindigen.
3.2.
[verweerster 1] en [verweerster 2] willen dat de verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen. [verweerster 1] stelt dat zij de werkgever is en dat onduidelijk is waarom [verweerster 2] in deze procedure is betrokken. [verweerster 1] voert aan dat [verzoekster] de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd. [verweerster 1] vindt dat zij de berichten van [verzoekster] als opzegging heeft mogen begrijpen en dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht als werkgever. Als [verzoekster] niet zelf heeft opgezegd, is de arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd per 1 april 2026, aldus [verweerster 1] .

4.De beoordeling

Werkgever
4.1.
[verweerster 1] is de werkgever van [verzoekster] . Daar is geen discussie over. Het is onduidelijk waarom [verweerster 2] als enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerster 1] ook in deze procedure is betrokken en in het verzoekschrift tezamen met [verweerster 1] ‘de werkgever’ wordt genoemd. Van de kant van [verzoekster] is daar geen adequate reden voor gegeven. De verzoeken van [verzoekster] gericht tegen [verweerster 2] worden alleen al om deze reden afgewezen.
Einde arbeidsovereenkomst door opzegging?
4.2.
De arbeidsovereenkomst is niet geëindigd door opzegging door [verzoekster] . Haar mededelingen over ontslag waren gezien de context waarin zij die mededelingen heeft gedaan niet duidelijk en ondubbelzinnig gericht op definitieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Op [verweerster 1] rustte een onderzoeksplicht om zich ervan te vergewissen of [verzoekster] de gevolgen van haar mededelingen overzag en of zij daadwerkelijk de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen. De kantonrechter vindt dat [verweerster 1] dat onvoldoende heeft gedaan. Het oordeel wordt hierna verder uitgelegd.
4.3.
Vooropgesteld wordt dat volgens vaste rechtspraak voor het aannemen van een opzegging van een arbeidsovereenkomst door een werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting (verklaring en of gedraging) is vereist, die is gericht op definitieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In verband met de ingrijpende gevolgen voor een werknemer van het zelf ontslag nemen, zal een werkgever niet snel mogen aannemen dat een verklaring of gedraging van de werknemer die duidt op ontslagname ook daadwerkelijk in overeenstemming is met wat de werknemer wil. Zo zal een werkgever voldoende moeten onderzoeken of de werknemer de consequenties van de ontslagname heeft begrepen en zal hij de werknemer voldoende en juist moeten informeren over de ingrijpende gevolgen die diens ontslagname voor hem hebben. De omvang van de onderzoekplicht voor de werkgever wordt bepaald door de concrete feiten en omstandigheden.
4.4.
Uit de correspondentie zoals weergegeven onder 2.2 t/m 2.9 leidt de kantonrechter af dat [verzoekster] meende dat zij vanwege lichamelijke klachten niet kon werken en dat zij – hoewel dat wel van een werknemer mag worden verwacht – niet op de hoogte was van de regels over ziekmelding en verlof en daarom verlof heeft aangevraagd, terwijl zij zich volgens de spelregels ziek had moeten melden. [verzoekster] heeft per mail meegedeeld dat zij ontslag neemt, omdat de werkgever de reden voor de verlofaanvraag (lichamelijke klachten) niet heeft geaccepteerd en zij echt niet naar het werk kan komen.
4.5.
[verweerster 1] had naar aanleiding van die mededeling per mail moeten onderzoeken of beëindiging van de arbeidsovereenkomst met alle verstrekkende financiële gevolgen (verlies van inkomen en aanspraak op socialezekerheidsuitkeringen) daadwerkelijk was wat [verzoekster] wilde en had haar ook over die gevolgen van een eigen ontslag moeten informeren. Dat geldt te meer nu [verweerster 1] ermee bekend is dat er een taalbarrière is ( [verzoekster] gebruikt een vertaalmachine voor de mails en spreekt geen Nederlands), dat [verzoekster] de regels over ziekte en verlof niet begrijpt, dat [verzoekster] als alleenstaande moeder voor levensonderhoud is aangewezen op het loon dat zij verdient bij [verweerster 1] en dat [verzoekster] heeft meegedeeld dat zij zich niet in staat voelde om te werken.
4.6.
Nergens blijkt uit dat de werkgever [verzoekster] heeft geïnformeerd over die verstrekkende gevolgen van een ontslag op eigen verzoek en ook niet dat zij onderzoek heeft gedaan naar de daadwerkelijke bedoeling van [verzoekster] : wilde zij de arbeidsovereenkomst definitief beëindigen? De werkgever heeft in reactie op de mededeling van [verzoekster] dat zij ontslag neemt slechts gemaild dat, als zij ontslag neemt, zij nog gedurende de opzegtermijn moet blijven werken, dat zij een schadevergoeding aan de werkgever moet betalen als zij dat niet doet en dat zij dus nog goed moet nadenken over haar beslissing. [verweerster 1] heeft [verzoekster] op 12 januari 2026 nog wel uitgenodigd om naar het restaurant te komen om de spelregels uit te leggen, maar daar is het bij gebleven. [verzoekster] had overigens wel op de uitnodiging van [verweerster 1] om op gesprek te komen moeten ingaan of – als zij meende dat zij niet naar het restaurant kon komen vanwege haar gezondheidstoestand – ten minste dat had moeten mededelen of in ieder geval iets van zich moeten laten horen. Echter, het wegblijven kan gelet op haar mededelingen over niet kunnen werken vanwege lichamelijke klachten niet worden gezien als bevestiging dat zij de arbeidsovereenkomst wilde opzeggen.
4.7.
De kantonrechter vindt dat [verweerster 1] niet met die ene vruchteloze poging om met [verzoekster] in gesprek te gaan over de spelregels kon volstaan; daarmee heeft de werkgever nog niet aan haar onderzoekplicht voldaan. Ook na de mededeling op 31 januari 2026 dat [verzoekster] herhaalt dat zij de arbeidsovereenkomst per mail heeft beëindigd om gezondheidsredenen, had [verweerster 1] nog niet mogen aannemen dat [verzoekster] daadwerkelijk de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen met alle verstrekkende gevolgen van dien. Juist omdat [verzoekster] in reactie op de sommatie van de werkgever om weer aan het werk te gaan haar eerdere mededeling herhaalt en daarbij wederom refereert aan gezondheidsredenen, had het op de weg van [verweerster 1] gelegen om onderzoek te doen naar de wil van [verzoekster] . Dat heeft [verweerster 1] niet gedaan. Dat [verzoekster] in een van haar mails van 11 januari 2026 heeft geschreven dat zij een advocaat zal inschakelen betekent niet dat de werkgever op het moment dat [verzoekster] zo’n drie weken later haar mededeling over ontslag herhaalt ervan mag uitgaan dat zij ondertussen een advocaat heeft geraadpleegd. Kortom: de werkgever heeft in deze omstandigheden de (herhaalde) mededeling van [verzoekster] niet mogen opvatten als een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring die is gericht op definitieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
4.8.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet door opzegging van [verzoekster] is geëindigd en dus is doorgelopen na 11 respectievelijk 31 januari 2026.
Loondoorbetaling
4.9.
[verzoekster] heeft recht op loondoorbetaling van 11 januari 2026 tot 1 april 2026. Het verweer van de werkgever tegen de loonvorderingen is dat [verzoekster] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, maar dat verweer slaagt niet; hiervoor is geoordeeld dat [verzoekster] de arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd. De arbeidsovereenkomst is inmiddels wel van rechtswege geëindigd per 1 april 2026 (artikel 7:667 BW Pro). De partijen zijn het daar over eens. Tot die einddatum heeft [verzoekster] in beginsel recht op loondoorbetaling. Zij vraagt 100%, maar zij heeft slechts recht op 70% en één dag minder. Zij stelt dat zij arbeidsongeschikt is vanaf 11 januari 2026 en [verweerster 1] heeft de arbeidsongeschiktheid niet betwist. Conform de algemeen verbindend verklaarde Horeca-cao is er bij ziekte recht op een aanvulling van het wettelijke percentage van 70% tot 95% als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, waaronder dat de werknemer zich houdt aan de spelregels bij ziekte (artikel 7.2 cao). Vast staat echter dat [verzoekster] zich niet volgens de spelregels ziek heeft gemeld. Daarom vervalt haar aanspraak op de aanvulling tot 95% (artikel 7.3 onder 1 en 2 cao). Daarnaast geldt de eerste ziektedag conform de cao als wachtdag waarover geen recht op loon bestaat (artikel 7.1 cao).
4.10.
Hoewel de partijen eerst van verschillende hoogtes van het salaris en een andere arbeidsduur zijn uitgegaan, heeft [verzoekster] zich tijdens de zitting aangesloten bij de (lagere) uitgangspunten die [verweerster 1] heeft genoemd in het verweerschrift. De kantonrechter gaat daarom ervan uit dat het maandloon € 2.261,35 bruto ex 8% vakantietoeslag bedraagt. Uitgaande van de verder onbetwiste rekenwijze van [verzoekster] in het verzoekschrift en van de uitgangspunten zoals hiervoor onder 4.9 genoemd, is toewijsbaar aan (achterstallig) loon € 4.466,97 bruto. Dat is als volgt berekend:
 januari 2026 € 2.261,35 x 19/31 + 8% x 70% = € 1.047,81
 februari 2026 € 2.261,35 + 8% x 70% = € 1.709,58
 maart 2026 € 2.261,35 +8% x 70% =
€ 1.709,58+
€ 4.466,97
4.11.
[verzoekster] heeft verzocht toe te wijzen de maximale wettelijke verhoging van 50% (artikel 7:625 BW Pro) over het achterstallig loon van januari en februari 2026. [verweerster 1] heeft een beroep gedaan op matiging en aangevoerd dat het niet-betalen van het loon (mede) is veroorzaakt door de gedragingen en mededelingen van [verzoekster] omtrent het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter ziet aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 25%. De wettelijke verhoging wordt zoals verzocht toegewezen over het achterstallig loon over januari en februari 2026.
4.12.
[verzoekster] heeft verzocht de werkgever te veroordelen wettelijke rente te betalen, maar heeft verzuimd te stellen over welk(e) bedrag(en) zij dat vraagt. Daarom kan dit verzoek niet worden toegewezen.
Overige verzoeken
4.13.
[verzoekster] heeft verzocht voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet, althans niet rechtsgeldig is geëindigd. Dat is niet toewijsbaar, omdat de arbeidsovereenkomst inmiddels van rechtswege is geëindigd.
4.14.
Voor zover sprake is van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, is het verzoek die opzegging te vernietigen. Ook dit verzoek is niet toewijsbaar, omdat geen sprake is van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever.
4.15.
Het verzoek van [verzoekster] om de werkgever te veroordelen haar ziek te melden bij het UWV op verbeurte van een dwangsom wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een deugdelijke grondslag.
Proceskosten
4.16.
De proceskosten in de verhouding tussen [verzoekster] en [verweerster 1] komen voor rekening van [verweerster 1] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verweerster 1] aan [verzoekster] moet betalen op € 93,00 aan griffierecht en € 865,00 aan salaris voor de gemachtigde. Voor kosten die [verzoekster] maakt na deze uitspraak moet [verweerster 1] een bedrag betalen van € 144,00. Dat is in totaal € 1.002,00. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld onder de beslissing.
4.17.
De proceskosten in de verhouding tussen [verzoekster] en [verweerster 2] komen voor rekening van [verzoekster] , omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot die kosten op nihil.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.18.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [verweerster 1] om aan [verzoekster] te betalen € 4.466,97 bruto aan (achterstallig) loon over januari, februari en maart 2026 te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 25% over € 2.757,39;
5.2.
veroordeelt [verweerster 1] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoekster] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.002,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;
5.3.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, die aan de kant van [verweerster 2] worden begroot op nihil;
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken.
34286