Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4793

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
C/10/711257 / JE RK 25-2518
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BWWet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens kwetsbare situatie en noodzakelijke hulpverlening

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, die sinds januari 2026 onder toezicht staat en tot april 2026 uit huis geplaatst is. De kinderrechter heeft op 2 april 2026 de zitting met gesloten deuren voortgezet, waarbij de moeder, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig waren. De minderjarige en moeder spreken Pools, waarvoor een beëdigde tolk werd ingezet.

De feiten tonen aan dat de minderjarige bij Embrace the Future verblijft en dat er positieve ontwikkelingen zijn, zoals verbetering van de relatie met de moeder, afname van middelengebruik en succesvolle overnachtingen bij de moeder. Desondanks is de situatie kwetsbaar door het hardnekkige karakter van de verslaving, het ontbreken van gestart passende hulpverlening en het risico van terugval bij terugkeer in de thuissituatie.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is om verdere stabilisatie en een gefaseerde terugplaatsing te waarborgen. De machtiging wordt verlengd tot 8 juli 2026 en is uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 8 juli 2026 en is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711257 / JE RK 25-2518
Datum uitspraak: 2 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N. Bekri, kantoorhoudende te Rotterdam.
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van 8 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 20 februari 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 23 februari 2026;
  • de aanvullende stukken van Embrace the Future van 27 maart 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
- het aanvullende rapport van de Raad van 30 maart 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 31 maart 2026.
1.2.
Op 2 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
Aangezien de moeder en [minderjarige] de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig
zijn, maar wel de Poolse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met
bijstand van E. Bakker-Radek, tolk in de Poolse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en
vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij Embrace the Future .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 januari 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 8 januari 2027. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 8 april 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De Raad heeft verzocht [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Op dit verzoek is reeds beslist. Tevens heeft de Raad verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden. Over de periode tot 8 april 2026 is al beslist. Er resteert nu een beslissing over de periode tot 8 juli 2026.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek en licht het ter zitting als volgt toe. Het is positief om te horen dat het goed met [minderjarige] gaat en de maatregelen effect hebben gehad. Er worden stappen gezet richting de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder; hij heeft onlangs bij de moeder overnacht. Belangrijk is dat de verdere terugplaatsing van [minderjarige] de aankomende drie maanden wordt gemonitord, zodat er een vangnet aanwezig is wanneer het mis gaat.

4.De standpunten

4.1.
De GI ondersteunt het aangehouden verzoek van de Raad en licht het ter zitting als volgt toe. Ondanks de positieve stappen die zijn gezet, moet er nog wel veel gebeuren. Inmiddels zijn een verlof- en terugvalplan opgesteld, maar de systeemtherapie is nog niet gestart. Onduidelijk is of Youz deze hulpverlening passend vindt en wil bieden. De GI is met Youz daarover nog steeds in gesprek, maar is zekerheidshalve ook in gesprek gegaan met een andere aanbieder, genaamd Poolse Gezinnen. [minderjarige] wordt hier nu gescreend. Onbekend is op welke termijn zij eventueel zouden kunnen starten.
Het is niet gelukt om een passende woonplek voor [minderjarige] in de regio te vinden. [minderjarige] is niet aangenomen bij Innovazorg en Zorg , [zorginstelling 3] vond [minderjarige] zelf niet passend. Besloten is daarom dat [minderjarige] bij Embrace the Future blijft. Hier zijn zij aan de slag gegaan met het middelengebruik van [minderjarige] en hij is abstinent gebleken. Dat is goed, maar dat betekent niet dat de zucht naar middelen daarmee nu weg is. Het is zorgelijk dat [minderjarige] onlangs weer heeft geblowd. Positief is dat de communicatie tussen [minderjarige] en de moeder zichtbaar is verbeterd. Stapsgewijs wordt aan de thuisplaatsing van [minderjarige] gewerkt. Het verlof is onbegeleid en [minderjarige] heeft twee keer bij de moeder overnacht. Verder is [minderjarige] aangemeld voor een entreeopleiding bij [onderwijsinstelling] . Hij kan daar elk moment instromen, als hij de entreetoets haalt. Indien de terugplaatsing goed verloopt, hoeven de volledige drie maanden van de machtiging tot uithuisplaatsing niet te worden gebruikt. Die machtiging is vooralsnog wel voor die termijn nodig.
4.2.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Eerder waren er forse zorgen, maar de situatie is na enkele maanden veranderd en er wordt niet langer aan de voorwaarden van een uithuisplaatsing voldaan. Er wordt onvoldoende stilgestaan bij de geboekte vooruitgang. De moeder en [minderjarige] hebben aan alle hulpverlening meegewerkt. Uit het rapport van Embrace the Future volgen vrijwel alleen maar positieve dingen: [minderjarige] is gestabiliseerd, heeft geen middelen meer gebruikt en de band tussen [minderjarige] en de moeder is hersteld. Het verlof bij de moeder verloopt positief. Uiteraard zijn niet alle zorgen verdwenen, maar [minderjarige] hoeft niet langer uit huis geplaatst te blijven om de positieve lijn vast te houden. Zo kan ook hulpverlening in de thuissituatie bij de moeder worden ingezet. De moeder betreurt het dat de noodzakelijke systemische hulpverlening niet is gestart. De GI kan de terugplaatsing bij moeder niet afhankelijk maken van de start van deze hulpverlening. Dit duurt namelijk te lang en de hulpverlening kan ook in het kader van de ondertoezichtstelling worden ingezet. [minderjarige] heeft het gevoel dat hij geen groei meer doormaakt bij Embrace the Future en voorkomen moet worden dat dit averechts gaat werken. Het verzoek moet dan ook worden afgewezen of voor een kortere duur worden toegewezen, zodat [minderjarige] de kans krijgt zich te bewijzen.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Uit de briefrapportage en de mondelinge behandeling is gebleken is dat de afgelopen periode door [minderjarige] en moeder hard is gewerkt en dat positieve stappen zijn gezet. Zo is de relatie hersteld en de communicatie tussen beiden verbeterd. Ook heeft [minderjarige] zich bij Embrace the Future verder positief ontwikkeld. Zijn een-op-een begeleiding is afgebouwd, hij is intern naar een andere groep overgeplaatst en hij doet het daar goed. Verder is het [minderjarige] de afgelopen periode gelukt geen harddrugs te gebruiken. Wel heeft [minderjarige] geblowd, maar hij heeft hier in het gesprek met de kinderrechter zelf openheid van zaken over gegeven, hetgeen voor hem spreekt. Voor [minderjarige] is een verlofplan opgesteld en hij is inmiddels ook al een paar keer bij de moeder thuis geweest inclusief overnachting. Dit is goed verlopen waardoor er gefaseerd aan een uitbreiding van de verloven wordt gewerkt.
5.3.
Ondanks de groei die [minderjarige] doormaakt, is de situatie nog kwetsbaar. Een verslaving aan harddrugs is doorgaans hardnekkig. De noodzakelijke hulpverlening is nog niet gestart, [minderjarige] heeft nog geen dagbesteding en de langzame terugkeer naar zijn oude omgeving brengt risico’s met zich doordat daar zijn oude netwerk en meer verleiding aanwezig is. Het voorgaande maakt dat een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder op dit moment nog niet mogelijk is. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] een faalervaring meemaakt wanneer hij te vroeg bij de moeder wordt teruggeplaatst. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat zijn verblijf bij Embrace the Future wordt gecontinueerd. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van drie maanden, te weten tot 8 juli 2026.
5.4.
Van belang is dat met de ondersteuning vanuit Embrace the Future verder aan een gefaseerde thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder wordt gewerkt. Daarbij geldt dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet voor de gehele duur hoeft te worden gebruikt, wanneer het goed blijft gaan en [minderjarige] voor verloop van de maatregel al terug naar de moeder kan.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 8 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 door mr. H. Benaissa, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 15 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.