Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4794

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
C/10/716024 / JE RK 26-447
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over gedeeltelijke gezagsbelasting inzake schoolinschrijving minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West verzocht de kinderrechter om gedeeltelijke gezagsbelasting toe te kennen met betrekking tot de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling, omdat de vader zijn toestemming voor inschrijving niet gaf. De minderjarige volgt momenteel geen onderwijs vanwege afwijzing van leerlingenvervoer en is gestart met proeflopen op een alternatieve school.

De vader gaf ter zitting aan betrokken te willen zijn en was bereid zijn toestemming te geven voor inschrijving op de nieuwe school, hoewel de reguliere inschrijftermijn was verstreken. De kinderrechter overwoog dat een gedeeltelijke gezagsbepaling een ingrijpende maatregel is en daarom terughoudend moet worden toegepast.

De beslissing werd aangehouden tot 13 april 2026 om de mogelijkheid te bieden dat de vader en GI samen de schoolinschrijving afronden. De GI zal contact opnemen met de onderwijsinstelling om de inschrijving buiten de termijn mogelijk te maken en de vader hierbij betrekken. Indien de inschrijving succesvol is, zal de zitting op 13 april niet doorgaan.

Uitkomst: De beslissing over gedeeltelijke gezagsbelasting wordt aangehouden tot 13 april 2026 om de schoolinschrijving in overleg mogelijk te maken.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716024 / JE RK 26-447
Datum uitspraak: 2 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. G.A.H. Wiekamp, kantoorhoudende te Hendrik-Ido-Ambacht.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[grootouders vz] ,
hierna te noemen: de grootouders vaderszijde (vz), wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI van 5 maart 2026 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • het bericht van de GI van 18 maart 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • het verweerschrift van mr. Wiekamp van 30 maart 2026 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
Bijzondere toegang is verleend aan een stagiair van het kantoor van mr. Wiekamp, [persoon A] .
1.4.
De grootouders vz zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de grootouders wel juist zijn opgeroepen.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op een open groep van [woongroep] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 1 juli 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking 15 oktober 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 1 juli 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt op grond van artikel 1:265e lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te bepalen dat het gezag over [minderjarige] gedeeltelijk, voor zover het betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling, wordt uitgeoefend door de GI, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Tevens verzoekt de GI om te bevelen dat deze gedeeltelijke toekenning van het gezag zal worden aangetekend in het gezagsregister.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. Aanvankelijk wilde de GI dat [minderjarige] op zijn huidige school in [plaats] bleef, maar het verzoek om leerlingenvervoer is afgewezen. De GI gunt het [minderjarige] om naar school te gaan, aangezien hij nu geen dagbesteding en structuur heeft. [minderjarige] is momenteel aan het proeflopen bij [onderwijsinstelling] tot 13 april 2026. Dit gaat goed. Als het goed blijft gaan, kan [minderjarige] op deze school blijven. Voor de schoolinschrijving is de toestemming van de vader nodig, maar er is momenteel geen samenwerking met de vader. De vader is meermaals uitgenodigd voor gesprekken, maar hij heeft aangegeven hier geen behoefte aan te hebben. Als de vader ter zitting bereid is zijn toestemming voor de schoolinschrijving van [minderjarige] te geven, dan is de GI bereid het verzoek in te trekken.

4.De standpunten

Door en namens de vader wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De vader wil graag betrokken zijn bij [minderjarige] , maar hij voelt zich buiten spel gezet door de GI. Dit leidt tot veel teleurstelling bij de vader. Daarnaast ontvangt de vader de relevante stukken steeds erg laat van de GI. De vader roept de GI op hem deze stukken eerder toe te sturen en hem te betrekken bij beslissingen omtrent [minderjarige] , nu hij de ouder met gezag is. De vader zou graag zien dat [minderjarige] in [plaats] naar school blijft gaan, gelet op de toekomst en de woonplaats van de vader. De vader wil het beste voor [minderjarige] en als dat betekent dat hij nu naar school gaat in [plaats 2] , dan gaat de vader hiermee akkoord. De vader is bereid zijn toestemming hiervoor ter zitting te geven.

5.De beoordeling

5.1.
Uit artikel 1:265e, eerste lid, aanhef en onder a, BW volgt dat de kinderrechter kan bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter overweegt hiertoe het volgende.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] op dit moment niet naar school gaat vanwege de afstand tussen de groep en zijn school in [plaats] . Eerder kon [minderjarige] online zijn schoolwerk maken en kreeg hij ondersteuning van pedagogisch medewerkers van de groep. Inmiddels is [minderjarige] zijn schoolgang geheel gestagneerd, omdat hij geen motivatie meer heeft om zijn schoolwerk digitaal te maken. Omdat [minderjarige] graag op zijn school in [plaats] wilde blijven, heeft de GI een aanvraag voor leerlingenvervoer ingediend bij de gemeente, maar dit verzoek is afgewezen. Hierdoor volgt [minderjarige] al geruime tijd geen onderwijs, waardoor hij in zijn ontwikkeling wordt geremd.
5.3.
Omdat het noodzakelijk en in het belang van [minderjarige] is om fysiek naar school te gaan, heeft de GI een alternatieve school voor [minderjarige] gevonden. [minderjarige] is inmiddels gestart met proeflopen bij [onderwijsinstelling] in [plaats 2] tot 13 april 2026. [minderjarige] doet het hier goed en wil hier graag blijven. Wanneer dit goed blijft gaan, kan [minderjarige] hier na de proefperiode direct starten. Hiervoor is de toestemming van de ouder met gezag nodig, maar ondanks herhaaldelijke pogingen vanuit de GI, heeft de vader deze toestemming tot dusver niet gegeven.
5.4.
Ter zitting is gebleken dat de vader bereid is zijn toestemming te geven om [minderjarige] op de school in [plaats 2] in te schrijven, maar dat de reguliere termijn voor de schoolaanmelding reeds is verlopen. Hierdoor kan de vader de inschrijving van [minderjarige] bij [onderwijsinstelling] niet afronden. Ondanks dat de kinderrechter verdere stagnatie in de schoolgang van [minderjarige] wil voorkomen, grijpt een gedeeltelijke gezagsbepaling diep in in de rechten van de ouder en hier moet terughoudend mee worden omgegaan. De kinderrechter zal de vader daarom de mogelijkheid bieden de schoolinschrijving samen met de GI in orde te maken en zal de beslissing op het verzoek aanhouden tot 13 april 2026 om 15:30 uur. Zoals ter zitting is afgesproken, zal de GI contact opnemen met [onderwijsinstelling] zodat het voor de vader mogelijk wordt buiten de inschrijftermijn alsnog zijn toestemming te geven en de vader in de mailwisseling daarover met [onderwijsinstelling] meenemen. De kinderrechter roept de partijen op de samenwerking met elkaar aan te gaan. Indien de schoolinschrijving voor 13 april 2026 succesvol is afgerond, is er geen noodzaak om de zitting van 13 april doorgang te laten vinden. Zoals ter zitting is afgesproken zal de GI de rechtbank hiervan tijdig op de hoogte stellen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
houdt de beslissing op het verzoek aan en bepaalt dat het verhoor van de GI, de vader en mr. Wiekamp in deze zaak zal plaatsvinden op
13 april 2026 om 15:30 uurin het gerechtsgebouw te Rotterdam,
Wilhelminaplein 100/125;
6.2.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. H. Biemond, kinderrechter;
6.3.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de vader en mr. Wiekamp;
6.4.
gelast de oproeping van de grootouders vz tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 door mr. H. Benaissa, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 9 april 2024.