Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4803

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
10-337487-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor inbraak en medeplegen van hennepvervoer met voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Rotterdam heeft op 2 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van inbraak en het samen met anderen vervoeren en aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep. Op 9 december 2025 heeft de verdachte samen met anderen ingebroken in een loods te Zuidland, waarbij 156 zakken hennep zijn weggenomen. Tevens werd hij veroordeeld voor het medeplegen van het vervoeren van meer dan 30 gram hennep.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van de verdachte, politieprocessen-verbaal en het onderzoek ter plaatse, waaronder het wegen en openen van zakken hennep. De verdediging betwistte het opzet op het vervoeren van hennep, maar de rechtbank oordeelde dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dozen hennep bevatten.

De strafmaat werd bepaald op 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht bij de reclassering en deelname aan een gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact, het strafblad en het reclasseringsrapport. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-337487-25
Datum uitspraak: 2 april 2026
Datum zitting: 19 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1989 in [geboorteplaats 1]
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.C. Herrewijnen
Officier van justitie: mr. H.H. Balk
Benadeelde partij: [benadeelde]
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor een inbraak, samen met anderen gepleegd, waarbij 156 zakken hennep zijn weggenomen. Daarnaast wordt hij veroordeeld voor het samen met anderen vervoeren en aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep van meer dan 30 gram. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en oplegging van bijzondere voorwaarden.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij samen met anderen heeft ingebroken en daarbij 156 zakken hennep heeft gestolen en dat hij samen met anderen 156 kilogram hennep heeft vervoerd, althans aanwezig heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
hij op of omstreeks 9 december 2025 te Zuidland, gemeente Nissewaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 156 zakken hennep, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2
hij op of omstreeks 9 december 2025 te Zuidland, gemeente Nissewaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 156 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 2.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor feit 2 heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte samen met anderen heeft ingebroken en daarbij 156 zakken hennep heeft weggenomen en dat hij samen met anderen een hoeveelheid hennep heeft vervoerd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 1 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven [1] .
1.
Verklaring van de verdachte [2]
2.
Proces-verbaal van de politie, verklaring van de aangever [naam aangever] , namens [benadeelde] [3]
3.
Proces-verbaal van de politie [4]
4.
Proces-verbaal van de politie [5]
5.
Proces-verbaal van politie [6]
6.
Proces-verbaal van de politie [7]
7.
Proces-verbaal van de politie [8]
De bewezenverklaring van feit 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [9] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [10]
Ik was benaderd om daar in te breken en wat weg te nemen. Ik wilde wat bijverdienen.
Er zouden dozen en zakken staan en die zouden we meenemen. Ik zou hier € 2.500 voor krijgen. We hebben de dozen in de bestelauto gezet.
2.
Proces-verbaal van de politie [11]
Op 9 december 2025 te Zuidland zag ik dat er een witte bestelauto in mijn richting reed. Ik zag dat er drie mannen voorin het voertuig zaten. Ik zag dat de witte bestelauto stopte en dat beide deuren open gingen. Ik zag dat de drie mannen die in de witte bestelauto zaten, uitstapte en wegrenden. Ik zag dat de man stopte en op zijn knieën ging zitten. De verdachte bleek te zijn genaamd: [medeverdachte] geboren op [geboortedatum 2] 1992, in [geboorteplaats 2] .
Ik, verbalisant [naam verbalisant] , zag dat de witte bestelauto een Ford Transit was met het kenteken: [kentekennummer] . Ik opende de zijdeur van de Ford Transit. Ik zag dat de laadruimte vol lag met zwarte gesealde pakketten en meerdere kartonnen dozen. Ik zag dat de gesealde pakketten op een hoop lagen. Ik zag dat er op een aantal zwarte pakketten BR stond. Ik nam het voertuig met de inhoud in beslag ter waarheidsvinding. Ik, verbalisant [naam verbalisant] , opende één zwarte sealbag door deze open te snijden. Ik zag dat er groene henneptoppen in zaten. Ik rook een sterke penetrante lucht en ik herkende de lucht ambtshalve als zijnde hennep.
3.
Proces-verbaal van de politie [12]
Wij zagen de persoon op de grond in het weiland liggen. De verdachte bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1989.
4.
Proces-verbaal van de politie [13]
Door mij verbalisant werden deze honderdzesenvijftig (156) zakken hennep geteld en het bruto gewicht gewogen. Ik zag dat het bruto gewicht inclusief de verpakking in totaal 176.52 kilo bedroeg.
Door mij werden tien willekeurige zakken geopend. Dit waren twee witte/doorzichtige zakken en acht zwarte zakken. Ik zag en rook dat in al deze zakken hennep aanwezig was. Ik zag dat de hennep in de zwarte zakken in een vacuümverpakte zwart sealbag zat. Ik zag dat elke vacuümverpakte sealbag weer afzonderlijk ingepakt was in drie andere zwarte sealbags.
Ik woog van de tien opengemaakte zakken het gezamenlijk netto gewicht van de inhoud. Ik zag dat het gezamenlijk netto gewicht van de inhoud van deze zakken in totaal 10 kilogram bedroeg.
5.
Proces-verbaal van de politie [14]
Tijdens de weging werd de inhoud van 10 zakken gewogen. Het nettogewicht van deze 10 zakken betreft 10 kilo aan hennep. Dit komt neer op 1 kilo hennep per pakket.
Het is dus aannemelijk dat de inhoud van de 156 pakketten een totaal netto gewicht hebben van ongeveer 156 kilo.
2.3.2.
Bewijsmotivering
Door de verdediging is bepleit dat het vervoeren van hennep niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu er geen opzet was – ook niet in voorwaardelijke zin – op het vervoeren van hennep. Aangevoerd is dat de opzet van de verdachte wel gericht was op het meenemen van de spullen maar niet op het meenemen van hennep. Er is geen bewijs voor de wetenschap bij de verdachte dat zij zich bezighielden met het wegnemen en vervoeren van hennep, aldus de verdediging.
De rechtbank stelt het volgende op basis van het dossier vast. Op 9 december 2025 hebben drie personen, waaronder de verdachte, ingebroken in een loods in Zuidland. Er zijn daarbij dozen weggenomen uit de loods en in de bestelauto geplaatst. De drie personen zijn vervolgens in de bestelauto gestapt en weggereden, waarna zij een stopteken van de politie hebben gekregen. In de bestelauto zijn de dozen aangetroffen met daarin in totaal 156 zakken met hennep. De verdachte heeft verklaard niet te hebben geweten wat zich in de dozen bevond. Hij zou de opdracht hebben gekregen dozen uit de loods weg te nemen en hij zou voor dat klusje € 2.500 krijgen.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het vervoeren en aanwezig hebben van hennep – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
Met het (in opdracht) inbreken in een loods en het daarbij wegnemen van dozen, zonder na te vragen en/of te controleren wat de inhoud van die dozen was, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat in die dozen illegale goederen zaten. Gelet op de hoogte van de geldelijke vergoeding en de inhoud van de opdracht moet de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust zijn geweest van de aanwezigheid van hennep, of in ieder geval illegale goederen, in die dozen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het vervoeren en aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep. Met het wegnemen en het in de bestelauto plaatsen van de dozen en het vervolgens wegrijden met de dozen heeft de verdachte ook de beschikkingsmacht gehad over de hennep.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen een hoeveelheid hennep heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad.
De politie heeft 156 zakken aangetroffen in de bestelauto, waarvan de inhoud van 10 zakken werd gewogen. Het nettogewicht van deze 10 zakken betreft 10 kilo aan hennep. Omdat de politie niet elke zak afzonderlijk heeft onderzocht, gefotografeerd en/of gewogen, kan niet worden bewezen dat de zakken die in de bestelbus zijn aangetroffen, de in de beschuldiging genoemde hoeveelheid van 156 kilogram bevatten. De rechtbank acht op basis van het aantal zakken dat in de bus is aangetroffen en het onderzoek aan een deel van de zakken wel bewezen dat de verdachten een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep hebben vervoerd.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
hij op 9 december 2025 te Zuidland, gemeente Nissewaard tezamen en in vereniging met anderen, 156 zakken hennep, aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededaders toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
2
hij op 9 december 2025 te Zuidland, gemeente Nissewaard tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd
enaanwezig heeft gehad, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
de meerdaadse samenloop van:
feit 1
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
en
feit 2
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden zoals in het reclasseringsrapport vermeld. De verdediging haalt daarbij aan dat er geen grote maatschappelijke schade is geweest, dat de verdachte vreest voor represailles en dat de diensthond op verdachte is ingezet bij de aanhouding waardoor hij (inmiddels geheeld) letsel opliep. Daarnaast is de moeder van de verdachte terminaal ziek en zit de verdachte daarom in een lastige periode.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een inbraak samen met anderen. De verdachten zijn naar de loods gegaan en hebben daar met een breekijzer de deur opengemaakt. Inbraken leiden tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft zich hiervan geen enkele rekenschap gegeven en was enkel uit op zijn eigen financiële gewin.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen vervoeren en aanwezig hebben van hennep. Bij de inbraak hebben de verdachten 156 zakken hennep weggenomen. Dit is een grote hoeveelheid softdrugs en vertegenwoordigt ook een substantiële waarde. De financiële belangen bij – en de handel in – dergelijke hoeveelheden softdrugs zijn bovendien zo groot, dat ter bescherming daarvan geweld en het plegen van andere strafbare feiten veelal niet wordt geschuwd. Dit alles heeft negatieve maatschappelijke gevolgen en daar moet krachtig tegen opgetreden worden.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 februari 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 12 maart 2026 staat het volgende.
De reclassering ziet de financiële situatie, het sociale netwerk en het psychosociaal functioneren van de verdachte als delictgerelateerd en als risicofactor. Hij lijkt gevoelig voor financiële verleidingen. Hij laat daarnaast signalen zien van een gebrekkig probleem-oplossend vermogen en beïnvloedbaarheid. Er blijkt een vermoeden van een licht verstandelijke beperking, wat vermoedelijk samenhangt met deze factoren.
De verdachte werkt als glazenwasser, wat hem stabiliteit en financiële zekerheid biedt. De partner van de verdachte keurt delictgedrag af en steunt hem. Criminaliteit wordt in zijn gezin niet genormaliseerd. De verdachte heeft verder pro sociale overtuigingen en ziet de negatieve consequenties van zijn delictgedrag in. Deze factoren hebben een beschermende werking. De reclassering vindt het verder positief dat de verdachte – ondanks het een drugsfeit betreft – geen drugs gebruikt en hier ook geen behoefte aan heeft. De verdachte geeft aan bereid te zijn om mee te werken aan voorwaarden en lijkt intrinsiek gemotiveerd om zijn gedrag te veranderen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering en een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte is getrouwd, heeft drie kinderen en werkt als glazenwasser. Hij heeft geen schulden en geen verslaving. Zijn moeder is ernstig ziek. Hij ondersteunt haar bij (ziekenhuis)afspraken.
4.3.3.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarbij is rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, het reclasseringsrapport en het strafblad van de verdachte. Alles afwegend wordt een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 3 maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn: een meldplicht bij de reclassering en een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
3 (drie) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam;
de verdachte zal binnen de proeftijd deelnemen aan de gedragsinterventie CoVa-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 en 2 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. I. Bouter, voorzitter,
en mrs. A.M. van der Leeden en E. Kranendonk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.F. Meekhof, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 2 april 2026.
Mr. E. Kranendonk en mr. E.F. Meekhof zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] met nummer [nummer proces-verbaal 1] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 19 maart 2026.
3.Pagina 24 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] .
4.Pagina 1 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] .
5.Pagina 5 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 4] .
6.Pagina 14 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 5] .
7.Pagina 19 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 6] .
8.Pagina 40 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 7] .
9.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] met nummer [nummer proces-verbaal 8] .
10.Verklaard tijdens de zitting van 19 maart 2026.
11.Pagina 1 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 9] .
12.Pagina 5 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 10] .
13.Pagina 19 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 11] .
14.Pagina 39 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 12] .