Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- de dagvaarding van 8 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 19;
- de incidentele conclusie tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv Pro;
- de conclusie van antwoord in het incident, met bijlagen 20 en 21.
2.Het geschil in het incident
primairtot afwijzing van de vordering. [eiser] stelt zich
subsidiair– voor het geval dat zij zou worden verplicht zekerheid te stellen – op het standpunt dat zij slechts zekerheid hoeft te stellen voor het griffierecht in de hoofdzaak, twee proceshandelingen in de hoofdzaak en de nakosten, en dat moet worden bepaald dat zij binnen een termijn van zes weken na de datum van dit vonnis zekerheid moet stellen door storting van het bedrag van de zekerheid op de derdenrekening van haar advocaat, althans op een door de rechtbank te bepalen wijze. Dit alles met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten van het incident, althans met compensatie van de proceskosten, althans aanhouding van de beslissing over de proceskosten tot de beslissing in de hoofdzaak.
3.De beoordeling in het incident
thans al haar liquiditeit nodig[heeft]
om de operationele processen te kunnen financieren” is daartoe in ieder geval onvoldoende, mede in het licht van het – zoals hierna zal blijken – in verhouding tot de vordering in de hoofdzaak niet al te hoge bedrag waarvoor [eiser] zekerheid moet stellen. Het verweer van [eiser] wordt dan ook verworpen. Het is de rechtbank niet gebleken dat één van de andere uitzonderingen op de verplichting om zekerheid te stellen zich in dit geval voordoet.
4.De beslissing
3 juni 2026moet hebben gesteld;
17 juni 2026voor conclusie van antwoord;