Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4829

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/10/717456/HA RK 26-288
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 8 lid 2 Wrakingsprotocol rechtbank Rotterdam
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek rechter in bestuurszaak afgewezen als kennelijk ongegrond

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. S.M. Goossens, rechter in een bestuurszaak bij de rechtbank Rotterdam. Het verzoek was gebaseerd op het gevoel niet gehoord te zijn doordat de tegenpartij, het UWV, niet op de zitting was verschenen.

De wrakingskamer oordeelde dat een wraking alleen kan slagen indien concrete feiten of gedragingen van de rechter worden aangevoerd die wijzen op partijdigheid. Verzoeker had geen enkele uitlating of gedraging van de rechter genoemd die dit zou ondersteunen.

Daarom werd het wrakingsverzoek als kennelijk ongegrond afgewezen zonder mondelinge behandeling. De beslissing werd genomen door de meervoudige wrakingskamer en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen zonder mondelinge behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/717456/ HA RK 26-288
Beslissing van 10 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. S.M. Goossens,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de bestuurszaak met nummer ROT 25/3465. Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker van 30 maart 2026.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
Verzoeker is positief over de rechter, maar voelt zich gedwongen om een wrakingsverzoek in te dienen. De tegenpartij (het UWV), en in het bijzonder de door verzoeker genoemde medewerkers van het UWV, was niet op de zitting verschenen en verzoeker voelt zich daardoor niet gehoord.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
De wrakingskamer begrijpt uit wat verzoeker aanvoert dat verzoeker zich niet gehoord voelt door het UWV. De wrakingskamer constateert dat verzoeker geen uitlatingen van de rechter of gedraging van de rechter (in de vorm van een handelen en/of nalaten door de rechter) aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd. Het wrakingsverzoek is dus niet gebaseerd op feiten of omstandigheden die de rechter betreffen. Daarom is overduidelijk dat het wrakingsverzoek niet kan slagen. Het verzoek is (juridisch gezegd) kennelijk ongegrond. Het verzoek zal daarom met toepassing van het bepaalde in artikel 8 lid 2 aanhef Pro en onder a van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het wrakingsverzoek niet zal worden behandeld op een zitting van de wrakingskamer. Voor een mondelinge behandeling op een zitting bestaat bij deze stand van zaken geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Nu verzoeker geen feiten of omstandigheden aanvoert die de rechter betreffen, komt de wrakingskamer aan dat debat niet toe.

4.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. K.A. Baggerman, voorzitter, en mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.C.C. Kan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.