Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4830

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/2353
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoekster diende een aanvraag in voor een briefadres en maakte bezwaar tegen de reactie van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.

Tijdens de zitting op 16 april 2026 erkende de gemachtigde van verzoekster dat het griffierecht van € 200,- niet was betaald en zag geen mogelijkheid om dit voorafgaand aan de zitting alsnog te voldoen. Verzoekster had op 19 maart 2026 verzocht om vrijstelling van het griffierecht, maar heeft niet binnen de gestelde termijn de benodigde inkomensstukken ingediend, waardoor dit verzoek werd afgewezen.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het griffierecht niet tijdig was voldaan en dat er geen verontschuldiging was voor het verzuim. Op grond hiervan verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk en wees een veroordeling in de proceskosten af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2353
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigden: mr. A.M.H. Dellaert en mr. P.A.M. Badal).

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een briefadres. Het college heeft hierop gereageerd bij e-mailbericht van 10 maart 2026. Verzoekster heeft tegen deze reactie bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van partijen.
1.2.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] Het verschuldigde griffierecht is in deze zaak € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als de zitting eerder is, moet het verschuldigde griffierecht voor de zitting worden betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
3. Op 19 maart 2026 heeft verzoekster verzocht om vrijstelling van het verschuldigde griffierecht. Dat verzoek kan alleen worden toegewezen als voldaan is aan criteria met betrekking tot het inkomen.
Op dezelfde dag is verzoekster daarom in de gelegenheid gesteld om binnen één week hierover stukken in te dienen zodat het verzoek door de rechtbank kan worden beoordeeld. Hierop heeft de gemachtigde van verzoekster niet gereageerd. Dit betekent dat het verzoek om vrijstelling is afgewezen.
Aan verzoekster is op 8 april 2026 een nota verstuurd om het verschuldigde griffierecht te voldoen, gelet op de naderende zittingsdatum uiterlijk voorafgaand aan de zitting van
16 april 2026.
Bij aanvang van de zitting heeft de gemachtigde van verzoekster erkend dat het griffierecht niet is betaald. De gemachtigde van verzoekster zag geen mogelijkheid om voorafgaand aan de behandeling van de zaak op de zitting voor betaling namens verzoekster zorg te dragen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan en dat niet is gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
4. Gelet op het voorgaande verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.