Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard
Samenvatting
Procesverloop
Overgangsrecht Omgevingswet
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 juli 2018. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Beoordeling door de rechtbank
Op 16 juli 2018 heeft eiseres een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen van de inrichting (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo). De aanvraag betreft een revisievergunning voor de gehele inrichting. De veranderingen van de inrichting houden in: uitbreiding van de inrichting met een parkeerterrein voor het stallen van lege ongereinigde LNG-tankwagens/tankcontainers en/of opleggers, verplaatsing van het parkeerterrein voor niet-gevaarlijke stoffen, het beëindigen van het overpompen van toxische vloeistoffen en het beëindigen van de opslag van tankcontainers met stoffen van ADR-klassen 3 en/of 6.1 en stoffen met bijkomend gevaar 3 en/of 6.1 in de containerstack. Door de wijzigingen valt het bedrijf niet meer onder het Besluit risico’s zware ongevallen 2015.
Toetsingskader
Omdat het college zich wat betreft deze voorschriften op een ander standpunt stelt dan in het bestreden besluit en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb. De rechtbank zal de genoemde voorschriften vernietigen en zelf in de zaak voorzien door vervangende voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden op de manier die partijen hebben voorgesteld.
“In afwijking van voorschrift 10.5.4 van de PGS 15:2016 mogen op de calamiteitenplaats geen (tank)containers of voertuigen aanwezig zijn, waarbij sprake is van een lekkage groter dan een druppellekkage.
Toelichting: De calamiteitenplaats conform voorschrift 10.5.4 is bedoeld om lekkende tankwagens/-containers en/of opleggers of verpakkingen op een veilige plek te kunnen afhandelen, op afstand van andere containers of opslagen met gevaarlijke stoffen. Bij [naam eiseres] is dit niet het geval. In de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018 (201700357/1/A1, ECLI:NL:RVS:2018:968) is aangegeven dat bij [naam eiseres] alleen druppellekkages naar de calamiteitenplaats worden vervoerd. Op basis hiervan heeft de Afdeling geoordeeld dat een grote plasbrand op de calamiteitenplaats niet waarschijnlijk is en een muur met een WBDBO van 60 minuten tussen de calamiteitenplaats en de dieseltank niet noodzakelijk is.”
In de reactie op de zienswijzen heeft het college verwezen naar wat eiseres zou hebben gezegd tijdens een zitting bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Het college moet echter beslissen op de ingediende aanvraag. Uit de aanvraag blijkt onder meer dat in een aantal ongewone voorvallen een lekkage mogelijk is die groter is dan een druppellekkage. Het gaat daarbij vooral om incidenten waarbij een botsing de bodemafsluiter heeft beschadigd. In deze gevallen zal de lekkende tankcontainer conform PGS 15 naar de calamiteitenplaats worden verplaatst. Dat kan volgens eiseres veilig bij lekkages van vloeistoffen die bij de heersende buitentemperatuur moeilijk zijn te ontsteken; bij een grote lekkage van vloeistoffen die bij de heersende buitentemperatuur zeer makkelijk ontstoken kunnen worden, kan een lekkende tankcontainer niet veilig worden verplaatst en kan eiseres repressief handelen om effecten te beperken of te voorkomen.
In haar reactie naar aanleiding van het overleg met het college stelt eiseres dat zij het college en de VRR ter plaatse heeft laten zien dat zij over een mobiele lekbak beschikt en dat daarnaast verschillende lekbakken kunnen worden geplaatst om een tankcontainer met een lekkage groter dan een druppellekkage naar de calamiteitenplaats te verplaatsen. Overigens is een lekkende tankcontainer hoogst uitzonderlijk.
In deze reactie stelt eiseres ook dat volgens het college niet wordt voldaan aan de WBDBO-eis van 60 minuten uit voorschrift 5.5.4 van PGS 30:2011. Pas als aan deze eis wordt voldaan, kunnen volgens het college lekkages groter dan een druppellekkage naar de calamiteitenplaats worden gebracht en kan voorschrift 7.2.1 vervallen. Eiseres wijst erop dat de toepasselijkheid van voorschrift 5.5.4 is uitgezonderd in vergunningvoorschrift 7.7.1. Daarnaast betoogt zij dat het college ten onrechte uit de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:968, afleidt dat tankcontainers met lekkages groter dan een druppellekkage niet naar de calamiteitenplaats mogen worden verplaatst als niet is voldaan aan de WBDBO-eis of dat daarover geen oordeel is gegeven. De Afdeling heeft namelijk uitdrukkelijk geoordeeld dat óók in het geval dat de gehele lekbak gevuld zou raken met een brandbare stof, dat niet automatisch tot een grote plasbrand zal leiden, omdat daarvoor dan ook nog een ontsteking vereist is. Bovendien gaat het in de uitspraak om de lekbak op de calamiteitenplaats, die naar beneden afloopt. Daardoor stromen volgens eiseres alle vloeistoffen in een betonnen bak onder de calamiteitenplaats, die (veel) meer dan de volledige inhoud van de tankcontainer kan bevatten en kan worden afgesloten, zodat geen uitdamping kan plaatsvinden. Er kan daarom geen sprake zijn van een plas vloeistof die zou kunnen ontsteken op de calamiteitenplaats.
Volgens het college sluit dit aan bij wat tijdens de vorige procedure bij de Afdeling de gebruikelijke praktijk in de inrichting was, namelijk dat uitsluitend bij druppellekkages gebruik wordt gemaakt van de calamiteitenplaats. In de uitspraak van 21 maart 2018 is de Afdeling van die werkwijze uitgegaan bij de beoordeling van het risico op plasbrand. In de reactie naar aanleiding van het overleg met eiseres stelt het college hierover dat de achterliggende gedachte van voorschrift 7.2.1 is dat druppellekkages zich zelden zullen ontwikkelen tot grote lekkages, waardoor de kans op een grote plasbrand gering is. Een grote plasbrand op de calamiteitenplaats moet voorkomen worden, omdat daarbij warmtestralingsbelasting op de naastgelegen bovengrondse dieseltank kan optreden, waardoor er kans is op branddoorslag en brandoverslag. De calamiteitenplaats en de bovengrondse dieseltank bevinden zich naast elkaar onder dezelfde overkapping. Volgens het college kan een plasbrand niet worden uitgesloten, zeker niet als ook grotere lekkages dan druppellekkages naar de calamiteitenplaats worden gebracht. Het college stelt zich op het standpunt dat – conform voorschrift 5.5.4 van PGS 30:2011 – een scheidingswand met een WBDBO van 60 minuten nodig is als eiseres de calamiteitenplaats voor deze grotere lekkages wil gebruiken. In de uitspraak van 21 maart 2018 heeft de Afdeling een WBDBO van 60 minuten tussen de calamiteitenplaats en de bovengrondse dieseltank weliswaar niet nodig geacht, maar aan dat oordeel lag volgens het college specifiek ten grondslag dat eiseres had aangegeven alleen druppellekkages naar de calamiteitenplaats te brengen. De Afdeling heeft zich niet uitgelaten over de situatie dat grotere lekkages naar de calamiteitenplaats worden gebracht.
Het college stelt verder dat een praktijk waarbij containers met grotere lekkages naar de calamiteitenplaats worden verplaatst niet mogelijk is, omdat de inrichting niet over voorzieningen beschikt om een vervoerseenheid met een grotere lekkage gecontroleerd te verplaatsen.
Daarnaast is verplaatsing in het geval van een grote lekkage volgens het college hoe dan ook niet wenselijk vanwege het risico op verdere verspreiding over het terrein, grotere plasvorming of een grotere blootstelling aan dampen. Daarbij speelt niet alleen de brandbaarheid van de stoffen een rol. Ook bij toxische, schadelijke of bijtende vloeistoffen moet de omvang van het incident beperkt worden. Het college is het niet met eiseres eens dat het in de aanvraag om een wezenlijk andere situatie gaat dan ten tijde van de uitspraak van 21 maart 2018. De door eiseres genoemde maatregelen nemen niet weg dat binnen de inrichting nog steeds opslag van gevaarlijke vloeistoffen plaatsvindt en dat zich incidenten met toxische of corrosieve stoffen kunnen voordoen, waarbij verspreiding over het terrein juist moet worden voorkomen. Bij dergelijke stoffen is niet brandbaarheid, maar toxische dampvorming of bodem- en waterverontreiniging het bepalende risico. Het college bestrijdt ook dat het beperkt naar de calamiteitenplaats mogen verplaatsen van lekkende tankcontainers in strijd is met de aanvraag. Eiseres vermeldt daarbij dat verplaatsing alleen plaatsvindt als dit veilig kan en met name bij stoffen met een hoog vlampunt. Dit bevestigt volgens het college de systematiek van de omgevingsvergunning: verplaatsing is uitsluitend toegestaan bij druppellekkage of bij stabilisatie van de lekkage. In andere gevallen moet bestrijding op de plaats van het incident gebeuren om verdere verspreiding te voorkomen, ook bij niet-brandbare toxische of andere milieugevaarlijke stoffen.
Het college is het ook oneens met de stelling dat de calamiteitenplaats primair een bodembeschermende maatregel is. De calamiteitenplaats dient ertoe om alle milieurisico’s te beperken, waaronder ook verspreiding en blootstelling aan schadelijke dampen; bodembescherming is slechts één aspect. Een verplichte verplaatsing van grotere lekkages zou een vergroot incidentoppervlak en blootstelling kunnen veroorzaken.
Een van de mogelijke milieurisico’s is het ontstaan van een grote plasbrand op de calamiteitenplaats en overslag van de brand naar de bovengrondse dieseltank. De Afdeling heeft hier in de uitspraak van 21 maart 2018 over geoordeeld in het kader van de beoordeling van de noodzaak van een voorschrift dat een scheidingswand met een WBDBO van 60 minuten voorschreef tussen de calamiteitenplaats en de dieseltank. De Afdeling heeft – in navolging van het deskundigenrapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening – de kans op een grote plasbrand die kan leiden tot falen van de dieseltank geen geloofwaardig scenario geacht. Het college stelt echter terecht dat de Afdeling er daarbij van is uitgegaan dat alleen containers met een druppellekkage op de calamiteitenplaats geplaatst mogen worden, zodat de kans vrijwel nihil is dat een situatie ontstaat waarbij de volledige goot en lekbak gevuld zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de uitspraak van 21 maart 2018 daarom niet worden afgeleid dat een grote plasbrand ook geen geloofwaardig scenario is als containers met een grotere lekkage dan een druppellekkage naar de calamiteitenplaats worden gebracht.
Daar komt bij dat het college ook heeft gewezen op andere milieurisico’s bij het verplaatsen van lekkende containers met meer dan een druppellekkage naar de calamiteitenplaats. Het gaat dan met name om de (verdere) verspreiding van verontreiniging over het terrein, niet alleen van brandgevaarlijke stoffen, maar ook van toxische of anderszins gevaarlijke stoffen. Dat er een mobiele lekbak aanwezig is, is onvoldoende om te kunnen aannemen dat dit zich niet zal kunnen voordoen. Daarbij is van belang dat het college ter zitting heeft gesteld dat trailers niet op een lekbak gezet kunnen worden. Daarnaast is van belang dat het ook kan gaan om verspreiding via verdamping, waartegen een lekbak niet helpt.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college met voorschrift 7.2.1 geen aangevraagde activiteit impliciet heeft geweigerd, maar slechts beperkingen heeft gesteld aan de manier van uitvoering van de aangevraagde activiteiten met gevaarlijke stoffen met het oog op het belang van de bescherming van het milieu.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
a. “
voorschrift 1.6.5:Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste twee werkdagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld, tenzij
b. “
voorschrift 5.3.6a:In afwijking van voorschrift 5.3.5 hoeven de schuimmonitor(en) of een gelijkwaardig blussysteem niet aanwezig te zijn indien de volgende maatregelen zijn
- Bij geconstateerde onregelmatigheden moet zo snel mogelijk worden ingegrepen, bijvoorbeeld door het aantikken van de afsluiter, het plaatsen van lekbakken, etc.;
c. “
voorschrift 5.3.9:De brandputten moeten bij oplevering en daarna om de drie jaar, alsmede bij grote wijzigingen, door een daartoe door het bevoegd gezag, vooraf voor akkoord bevonden instantie worden gecontroleerd op de geëiste waterdruk en wateropbrengst zoals voorgeschreven in voorschriften 5.3.4, 5.3.7 en 5.3.10 van deze vergunning. Van de werkzaamheden moet een rapport met beproevingsgrafiek worden opgemaakt en worden bewaard in een logboek van de betreffende geboorde put. De instantie en de meetmethode dienen voordat de meting wordt uitgevoerd ter accordering aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd.”
d. “
voorschrift 5.5.1:Indien een (tank)container die is beladen met gevaarlijke stoffen of
e. “
voorschrift 7.7.1:Binnen de inrichting mag enkel diesel met een vlampunt hoger dan 55
- hoofdstuk 5 (m.u.v. voorschrift 5.2.2 en 5.2.3, de WBDBO-eis uit voorschrift 5.5.4 van de scheiding tussen de overpompplaats annex calamiteitenplaats en de opslagruimte van dieselolie in een bovengrondse tank en voorschrift 5.6.2);
voorschrift 7.8.4:De vergunninghouder dient een vorm van boil-off management toe te passen om afblazen te voorkomen. Als onverhoopt een LNG tankwagen/-container en/of oplegger toch afblaast, moet dit gezien worden als ongewoon voorval en moeten de hulpdiensten worden gealarmeerd (het 112-nummer moet worden gebeld). De afblazende tankcontainer dient door de vergunninghouder te worden veiliggesteld door het staken van werkzaamheden en het verhinderen van verkeersbewegingen in de nabijheid van de container en het verwijderen van potentiële ontstekingsbronnen. Het koelen van de tankcontainer door te 'nivelleren' met een andere tankwagen/-container en/of oplegger is een noodmaatregel die geen deel uitmaakt van het vergunde boil-off management en moet worden gemeld aan het bevoegd gezag.
Toelichting:
Indien het boil-off management geen soelaas biedt, is nivelleren het laatste
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
(…)
Artikel 2.6
Artikel 2.14
3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.
Artikel 2.22
(…)