Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4884

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/10/715908 / KG ZA 26-221
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Brussel I bis-VerordeningArt. 4 Rome II-VerordeningArt. 1240 Code civilArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing contactverbod tegen Franse staatsburger wegens onrechtmatig contact en laster

Eisers, een Franse organisatie en haar medewerkers, vorderen een contactverbod tegen een Franse staatsburger woonachtig in Nederland vanwege stelselmatig ongewenst en hinderlijk contact. De gedaagde heeft sinds oktober 2023 bijna 250 e-mails gestuurd met dreigende, beledigende en lasterlijke inhoud, gericht aan eisers en derden, waarbij medewerkers met naam en foto werden geïndividualiseerd.

De rechtbank oordeelt dat het handelen van de gedaagde onrechtmatig is volgens zowel Frans als Nederlands recht. Hoewel gedaagde stelt dat het zijn verdedigingsstrategie betreft, is het gedrag gericht op het onder druk zetten van eisers en hun medewerkers, wat onaanvaardbaar is. De rechtbank wijst het contactverbod toe voor de duur van maximaal één jaar, met een dwangsom van €250 per overtreding tot een maximum van €25.000.

Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten van €1.837,02. Zijn tegenvorderingen worden niet in behandeling genomen omdat hij in persoon procedeert en een advocaat vereist is voor reconventionele vorderingen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het anders of meer gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank legt een contactverbod op aan gedaagde met een dwangsom en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/715908 / KG ZA 26-221
Vonnis in kort geding van 3 april 2026
in de zaak van
1.
[eiser 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , [land] ,
2.
[eiser 2],
3.
[eiser 3],
4.
[eiser 4],
5.
[eiser 5],
6.
[eiser 6],
allen domicilie kiezende te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna ieder afzonderlijk te noemen: [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] en [eiser 6] , en gezamenlijk eisers,
advocaat: mr. J.H. Ligtenberg,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 maart 2026, met producties 1-33;
- de berichten van 5, 13 en 15 maart 2026 van [gedaagde] , met producties;
- de berichten van 9, 13 en 16 maart 2026 van de rechtbank;
- de mondelinge behandeling van 17 maart 2026;
- de spreekaantekeningen van eisers;
- het schriftelijke verweer van [gedaagde] dat hij op de zitting heeft overgelegd.

2.De feiten

2.1.
[eiser 1] is een Franse organisatie die uitbetaling van loonvorderingen van werknemers van failliete ondernemingen waarborgt. De overige eisers zijn allen werkzaam bij of voor [eiser 1] of zijn op een andere wijze gelieerd aan [eiser 1] .
2.2.
[gedaagde] is een Franse staatsburger. Hij woont in Nederland. Hij is werkzaam geweest als vrachtwagenchauffeur bij het bedrijf [bedrijf X] . In 2016 is [gedaagde] door [bedrijf X] ontslagen, waarna hij een arbeidsrechtelijke procedure aanhangig heeft gemaakt tegen zijn voormalige werkgever.
2.3.
Op 10 september 2018 heeft de rechtbank van Grenoble de vorderingen van [gedaagde] afgewezen. In hoger beroep heeft het Hof van Beroep in Grenoble bij arrest van 18 maart 2021 [bedrijf X] veroordeeld tot het betalen van een ontslagvergoeding aan [gedaagde] . Op 5 juli 2023 heeft het Hof van Cassatie het arrest in hoger beroep gedeeltelijk vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Hof van Beroep te Lyon.
2.4.
Als gevolg van het faillissement van [bedrijf X] is [eiser 1] in haar hoedanigheid als garantiefonds betrokken geraakt bij de procedure. Sinds oktober 2023 communiceert [gedaagde] veelvuldig naar [eiser 1] en haar medewerkers, waarbij hij aandringt op betaling van bedragen die volgens hem aan hem zijn toegekend. Op 30 januari 2024 hebben [eiser 1] als organisatie en [eiser 2] in persoon (in Frankrijk) een strafrechtelijke klacht wegens laster tegen [gedaagde] ingediend. Deze procedures lopen nog.
2.5.
Tussen 11 november 2024 en 5 maart 2026 heeft [gedaagde] bijna 250 e-mails gestuurd aan diverse personen binnen [eiser 1] . In de berichten wordt [eiser 1] gesommeerd om tot betaling over te gaan, verzocht om informatie of stukken, en gedreigd met het indienen van klachten over eisers bij andere instanties. In (een deel van) die klachten, die zowel aan (medewerkers van) [eiser 1] worden gestuurd, als ook aan onder meer de rechtbank van Parijs, het Hof van Beroep te Lyon, een officier van justitie en de Orde van Advocaten, worden medewerkers expliciet en met foto benoemd. Ook daarin wordt nieuw aangedrongen op betaling.
2.6.
In berichten van [gedaagde] aan diverse instanties en aan (medewerkers van) [eiser 1] worden [eiser 1] en bij naam genoemde en met foto geïndividualiseerde medewerkers beschuldigd van allerlei strafbare handelingen, zoals oplichting, (identiteits)fraude en corruptie. Daarbij worden termen gebruikt als (vertaald) ‘corrupt’, ‘criminele organisatie’, ‘uitschot’, ‘boeven’ en ‘ongedierte.’
2.7.
[eiser 1] en de betrokken medewerkers hebben zich tot mr. Ligtenberg gewend en deze heeft [gedaagde] op 12 februari 2026 gesommeerd zijn gedragingen te staken. [gedaagde] heeft ook in de periode daarna tientallen e-mails gestuurd aan [eiser 1] en/of haar advocaat.

3.Het geschil

3.1.
Eisers vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te verbieden om – na betekening van dit vonnis – direct en/of indirect, mondeling en/of schriftelijk – op welke wijze dan ook (bijvoorbeeld per e-mail of telefonisch) contact op te nemen met eisers, eisers te benaderen of zich tegenover derden (off- en online) over eisers uit te laten (behoudens voor zover noodzakelijk in een lopende of toekomstige gerechtelijke procedure), een en ander tot aan het moment dat onherroepelijk vaststaat of sprake is van een rechtmatige vordering van [gedaagde] jegens [eiser 1] , dan wel gedurende een jaar;
II. aan [gedaagde] een dwangsom op te leggen van € 250,- voor iedere overtreding van (een gedeelte van) het verbod, met een maximum van € 25.000,-;
III. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten, met bepaling dat [gedaagde] het bedrag van de proceskostenveroordeling binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis aan eisers moet hebben voldaan, bij gebreke waarvan [gedaagde] vanaf de 15e dag wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd wordt.
3.2.
Eisers leggen aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. Door de wijze waarop [gedaagde] stelselmatig ongewenst en hinderlijk contact opneemt met eisers en derden worden de eer en goede naam van eisers, de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen medewerkers van [eiser 1] en het bedrijfsdebiet van [eiser 1] aangetast. Dat is jegens eisers onrechtmatig. Ondanks herhaalde aanmaning weigert [gedaagde] zijn gedrag aan te passen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eisers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van eisers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure. [gedaagde] heeft in zijn verweer ook aangegeven diverse schadevergoedingen van eisers te willen vorderen.
3.4.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Internationale bevoegdheid
4.1.
Omdat eisers in Frankrijk zijn gevestigd/wonen en [gedaagde] Frans staatsburger is, heeft de zaak een internationaal karakter. Dat betekent dat de voorzieningenrechter ambtshalve moet toetsen of hij bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Aangezien het hier een civiele procedure betreft, is de Brussel I bis-Verordening van toepassing. De uit deze Verordening voortvloeiende hoofdregel is dat de rechter van de lidstaat waar de gedaagde woont bevoegd is (artikel 4). Dit leidt tot de bevoegdheid van de (voorzieningen)rechter van rechtbank Rotterdam.
Toepasselijk recht
4.2.
Omdat de vordering tot het instellen van een contactverbod is gebaseerd op gesteld onrechtmatig handelen door [gedaagde] , is de Rome II-Verordening van toepassing. Artikel 4 van Pro deze Verordening bepaalt dat het recht van het land waar de (directe) schade zich voordoet van toepassing is, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Aangezien het eisers zijn die stellen schade te lijden als gevolg van het handelen van [gedaagde] en zij in Frankrijk wonen/gevestigd zijn, is Frans recht van toepassing.
Onrechtmatig handelen
4.3.
Eisers vorderen een contactverbod vanwege onrechtmatig handelen van [gedaagde] . Artikel 1240 van Pro de Code civil kent een met artikel 6:162 BW Pro vergelijkbare bepaling. Dat het handelen van [gedaagde] onrechtmatig handelen oplevert, zowel naar Frans als naar Nederlands recht, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter evident. [gedaagde] overstelpt [eiser 1] en de betrokken werknemers met berichten met een dreigende en beledigende aard en inhoud, met onzorgvuldige toonzetting. Soortgelijke berichten stuurt [gedaagde] aan derden, inclusief namen van personen en foto’s van personen die in zijn visie betrokken zijn bij de behandeling van zijn dossier.
4.4.
[gedaagde] voert als verweer aan dat dit zijn verdedigingsstrategie is. [gedaagde] wordt echter niet aangevallen. Hij meent aanspraak te hebben op door [eiser 1] aan hem te betalen bedragen. Met zijn handelen tracht hij [eiser 1] en betrokkenen aan de zijde van [eiser 1] onder druk te zetten om hen ertoe te brengen aan zijn wensen tegemoet te komen. Dat eisers zich hierdoor geïntimideerd voelen, is begrijpelijk. Dat onrechtmatig handelen moet ophouden. Uiteraard mag [gedaagde] voor zijn belangen opkomen. Dat dient hij te doen binnen de grenzen van het recht. Hij kan zich uiten zoals hij wil binnen het kader van de daarvoor bestaande juridische procedures. Gelet op de aard, inhoud en omvang van de onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde] en de omstandigheid dat [gedaagde] geenszins voornemens lijkt zijn het onrechtmatig handelen te staken, en er dus concreet gevaar voor herhaling/voortzetting van het onrechtmatig handelen bestaat, is het gevorderde verbod zoals het is vormgegeven grotendeels gerechtvaardigd en proportioneel. Het verbod zal worden toegewezen in de vorm en met de inhoud als hierna onder de beslissing weergegeven.
4.5.
Om te bevorderen dat [gedaagde] het verbod zal naleven, wordt de gevorderde dwangsom opgelegd.
Tegenvorderingen
4.6.
[gedaagde] heeft aangegeven zelf (tegen)vorderingen in te willen stellen. De mogelijkheid van het instellen van een tegenvordering is een procesrechtelijke kwestie, die moet worden beoordeeld naar het recht van de aangezochte rechter en dus naar Nederlands recht. Op grond van het Nederlands recht, kan een reconventionele vordering in kort geding uitsluitend worden ingediend door een advocaat. Omdat [gedaagde] in persoon procedeert, kunnen zijn vorderingen niet in behandeling worden genomen en behoeven zij verder geen bespreking.
Proceskosten
4.7.
[gedaagde] is de grotendeels in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisers worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
760,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.837,02

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt [gedaagde] om – na betekening van dit vonnis en voor de duur van maximaal één jaar – direct en/of indirect, mondeling en/of schriftelijk, op welke wijze dan ook (bijvoorbeeld per e-mail of telefonisch) contact op te nemen met eisers, eisers te benaderen of zich tegenover derden (off- en online) over eisers uit te laten (behoudens voor zover noodzakelijk in een lopende of toekomstige gerechtelijke procedure), een en ander tot aan het moment dat vaststaat dat sprake is van een rechtmatige vordering van [gedaagde] jegens [eiser 1] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan eisers een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere overtreding van (een gedeelte van) het verbod, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.837,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.3144/1729