ECLI:NL:RBROT:2026:49

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
ROT 24/11633
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 6 EVRMArt. 7:11 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning Wajong-uitkering wegens duurzaam ontbreken arbeidsvermogen vanaf 2016

Eiser, met chronische psychische problematiek, verzocht het UWV meerdere malen om een Wajong-uitkering. De eerste aanvraag in 2016 werd afgewezen omdat toen werd verwacht dat hij in de toekomst wel arbeidsvermogen zou hebben. Latere aanvragen in 2019 en 2023 werden eveneens afgewezen vanwege interpretaties over het moment en de duur van het ontbreken van arbeidsvermogen.

De rechtbank oordeelt dat het UWV ten onrechte heeft geoordeeld dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was vanaf 24 oktober 2016. Met de huidige kennis moet worden vastgesteld dat het ontbreken van arbeidsvermogen vanaf die datum duurzaam is. Daarom had eiser vanaf 30 december 2019 recht op een Wajong-uitkering.

De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en herroept de primaire besluiten. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €4.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, vergoeding van het griffierecht en proceskosten van €1.868. De uitspraak treedt in de plaats van de vernietigde besluiten.

Uitkomst: Eiser krijgt met ingang van 30 december 2019 recht op een Wajong-uitkering en het UWV wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11633

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. E. van den Bogaard),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).

Procesverloop

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1991 en bekend met chronische psychische problematiek, heeft het UWV op 23 september 2016 voor de eerste keer verzocht om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (de Wajong). Bij besluit van 11 november 2016 heeft het UWV de aanvraag afgewezen, omdat eiser op dat moment geen arbeidsvermogen had, maar de verwachting was dat hij dat in de toekomst wel zou hebben.
2. Eiser heeft het UWV op 30 december 2019 opnieuw verzocht om hem in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering (aanvraag 2). Bij besluit van 16 april 2020 (primair besluit 1) heeft het UWV aanvraag 2 afgewezen, omdat hij na zijn achttiende verjaardag arbeidsongeschikt zou zijn geworden en hij in het jaar voordat hij arbeidsongeschikt werd niet zes maanden of langer heeft gestudeerd.
Eiser heeft daartegen op 23 april 2020 bezwaar gemaakt.
Bij het besluit van 18 oktober 2024 (bestreden besluit 1) heeft het UWV ten derde male dat bezwaar ongegrond verklaard. De eerste beslissing op dat bezwaar van 21 januari 2021 heeft de rechtbank bij uitspraak van 16 juni 2022 vernietigd en de tweede beslissing op dat bezwaar heeft de rechtbank bij uitspraak van 28 augustus 2023 vernietigd. Aan bestreden besluit 1 heeft het UWV nu, met inachtneming van de vermelde uitspraken, en op grond van de rapportage de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 oktober 2024, ten grondslag gelegd dat eisers eerste arbeidsongeschiktheidsdag 1 mei 2012 is en eiser daarmee voldoet aan de voorwaarde voor studerende (artikel 1a:1, eerste lid, onderdeel b, van de Wajong), dat de datum van verlies van arbeidsvermogen 24 oktober 2016 is (dus binnen de periode van vijf jaar op grond van het tweede lid van dat artikel), maar dat eiser toen niet was aan te merken als ‘jonggehandicapte’, omdat er geen situatie was van ‘duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’.
3. Eiser heeft het UWV op 30 mei 2023 wederom verzocht om hem in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering (aanvraag 3). Bij het besluit van 8 juni 2023 (primair besluit 2) heeft het UWV aanvraag 3 afgewezen, omdat de grondslag dat eiser inmiddels tien jaar geen arbeidsvermogen heeft, ontbreekt. Bij besluit van 13 november 2024 (bestreden besluit II) heeft het UWV het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Het UWV heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het aannemelijk is dat eisers arbeidsvermogen op 24 oktober 2016, zijnde de datum van het spreekuur van de verzekeringsarts, verloren is gegaan. Dat is echter niet duurzaam gebleken. Op de aanvraagdatum van 30 mei 2023 is nog geen sprake van een onafgebroken periode van tien jaar waarin het arbeidsvermogen duurzaam ontbreekt.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit I en bestreden besluit II.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

6. Voor de van toepassing zijnde regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.
7. Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of het UWV zich bij bestreden besluit 1 terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van eiser op 24 oktober 2016 geen sprake was van een situatie van duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.
7.1.
Met eiser beantwoordt de rechtbank die vraag ontkennend. De slotsom van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegde rapportage luidt: ‘Indien met de huidige kennis de situatie in 2016 nogmaals beoordeeld zou worden, moet men concluderen dat de afwezigheid van arbeidsvermogen dus helaas duurzaam is gebleken.’ Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die vaststelling. Dat leidt ertoe dat bij de heroverweging van primair besluit 1 op grond van artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) alsnog moest worden vastgesteld dat met de wetenschap van nu eisers gebrek aan mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in 2016 reeds duurzaam was. Naar het UWV miskent, doet de omstandigheid dat die wetenschap ten tijde van primair besluit 1 nog niet voorhanden was, daaraan niet af. Bij de heroverweging op grond van artikel 7:11 van Pro de Awb gaat het er immers in beginsel om met de dan beschikbare kennis een juist besluit te nemen naar de datum in geding, en niet om dat te doen met wat er toen bekend was of kon zijn. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat dit uitgangspunt hier niet opgaat.
7.2.
Uit het voorgaande volgt dat bestreden besluit 1 gebaseerd is op een verkeerde toepassing van artikel 7:11 van Pro de Awb en daarom niet in stand kan blijven. Het ontbreken van arbeidsvermogen bij eiser was met ingang van 24 oktober 2016 duurzaam en hij is vanaf die datum als jonggehandicapte op grond van artikel 1a:1 tweede lid, van de Wajong aan te merken. Aan hem had dan ook bij bestreden besluit 1 een Wajong-uitkering toegekend dienen te worden per 30 december 2019, de datum van aanvraag 2. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door primair besluit 1 te herroepen en te bepalen dat eiser vanaf 30 december 2019 recht heeft op een Wajong-uitkering. Deze uitspraak treedt in zoverre in de plaats van bestreden besluit 1.
8. Nu aan eiser per 30 december 2019 een Wajong-uitkering wordt toegekend, is er geen plaats meer voor besluitvorming op aanvraag 3. Bestreden besluit 2 moet dan ook worden vernietigd en primair besluit 2 zal worden herroepen.
Schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
9. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. Het is vaste rechtspraak dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de redelijke termijn is overschreden wanneer de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. [1] In een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een beslissing op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechter, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. [2] Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is geweest van een langere behandelingsduur bij een rechtelijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat der Nederlanden.
10. Voor dit geval betekent dit het volgende. De redelijke termijn is aangevangen op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift door het UWV, te weten op 23 april 2020. Op de datum van de uitspraak is de termijn met (afgerond) 43 maanden overschreden. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Omdat de redelijke termijn met 43 maanden is overschreden, bedraagt het aan eiseres toe te kennen bedrag € 4.000,-. De behandeling door de rechtbank heeft (telkens) minder dan anderhalf jaar geduurd. De overschrijding is daarom in het geheel aan het UWV toe te rekenen. De rechtbank zal het UWV veroordelen tot een schadevergoeding van € 4.000,-.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep tegen de bestreden besluiten moet gegrond worden verklaard, de bestreden besluiten zullen worden vernietigd en de primaire besluiten worden herroepen. De rechtbank zal bepalen dat eiser met ingang van 30 december 2019 recht heeft op een Wajong-uitkering.
12. Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt het UWV ook in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
13. Het verzoek ter zitting om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- herroept de primaire besluiten en bepaalt dat eiser met ingang van 30 december 2019 recht heeft op een Wajong-uitkering;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;
- veroordeelt het UWV tot betaling van een schadevergoeding aan eiser van € 4.000,-;
- bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser vergoedt;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor de uitspraak relevante wet- en regelgeving:

Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
Op grond van het tweede lid van dat artikel herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong, voor zover van belang, is jonggehandicapte in de zin van hoofdstuk 1a en de daarop berustende bepalingen de ingezetene die (a) op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, dan wel (b) na die dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Op grond van het tweede lid van dat artikel wordt de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van hert eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag bedoeld in onderdeel a of b.
Op grond van het vierde lid wordt onder ‘duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben’ de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252; de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:911, en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2009 ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 15 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044.