ECLI:NL:RBROT:2026:4930
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlaging WGA-uitkering
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn WGA-uitkering vanaf 12 juli 2024 te verlagen naar € 896,10 bruto per maand. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen vanwege een acute financiële noodsituatie.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat hij met de huidige uitkering zijn vaste lasten niet kan betalen. Hoewel verzoeker zijn huurwoning is kwijtgeraakt en nu bij zijn zus verblijft, heeft hij geen inzicht gegeven in zijn vaste lasten ondanks verzoek daartoe. Bovendien ontving verzoeker recent nog bedragen van het UWV en is zijn inkomen aangevuld tot het sociaal minimum.
Daarom is er geen sprake van onverwijlde spoed en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verlaging van de WGA-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.