In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure over een opgelegde boete aan eiseres voor het fokken met een mopshond. De eiseres, die als hobbyfokker opereert, kreeg een boete van € 1.500 opgelegd omdat zij in strijd handelde met artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren (Bhd). De rechtbank oordeelde dat de verweerder, de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, terecht de boete had opgelegd. De rechtbank volgde de argumentatie van de verweerder, die zich baseerde op een rapport van de Universiteit Utrecht en zes criteria hanteerde om te bepalen of er een verhoogd risico was op het ontwikkelen van schadelijke kenmerken bij de nakomelingen van kortsnuitige honden. De rechtbank vond de handhaving van deze criteria niet onredelijk, gezien de bescherming van het dierenwelzijn. Eiseres voerde aan dat zij geen overtreding had begaan en dat de criteria onterecht waren, maar de rechtbank oordeelde dat de verweerder voldoende bewijs had geleverd dat eiseres de overtreding had begaan. De rechtbank verklaarde het beroep van eiseres ongegrond en bevestigde de opgelegde boete.