Eiseres kreeg een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren door te fokken met een mopshond waarvan uiterlijke kenmerken schadelijke gevolgen hadden voor het welzijn en de gezondheid van de nakomelingen.
Verweerder baseerde het besluit op een rapport van de Universiteit Utrecht met zes criteria voor brachycephale honden, die de rechtbank niet onredelijk achtte. De Cambridge BOAS-test werd als onvoldoende beoordeeld voor toetsing aan artikel 3.4 Bhd.
De toezichthoudend dierenarts stelde vast dat de moederhond meerdere uiterlijke kenmerken had die het welzijn van ouderdier en nakomelingen benadeelden. Eiseres voerde verweer over onjuiste criteria, rassendiscriminatie en onjuiste beoordeling, maar de rechtbank verwierp deze bezwaren.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de boete van €1.500 oplegde en dat het handelen van eiseres als bedrijfsmatig kon worden aangemerkt. Het beroep werd ongegrond verklaard.