ECLI:NL:RBROT:2026:5

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
ROT 24/9280
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete opgelegd voor overtreding van het Besluit houders van dieren bij het fokken van kortsnuitige honden

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure over een opgelegde boete aan eiseres voor het fokken met een mopshond. De eiseres, die als hobbyfokker opereert, kreeg een boete van € 1.500 opgelegd omdat zij in strijd handelde met artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren (Bhd). De rechtbank oordeelde dat de verweerder, de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, terecht de boete had opgelegd. De rechtbank volgde de argumentatie van de verweerder, die zich baseerde op een rapport van de Universiteit Utrecht en zes criteria hanteerde om te bepalen of er een verhoogd risico was op het ontwikkelen van schadelijke kenmerken bij de nakomelingen van kortsnuitige honden. De rechtbank vond de handhaving van deze criteria niet onredelijk, gezien de bescherming van het dierenwelzijn. Eiseres voerde aan dat zij geen overtreding had begaan en dat de criteria onterecht waren, maar de rechtbank oordeelde dat de verweerder voldoende bewijs had geleverd dat eiseres de overtreding had begaan. De rechtbank verklaarde het beroep van eiseres ongegrond en bevestigde de opgelegde boete.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9280

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. P.M.M. van Bennekom).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete die verweerder aan eiseres heeft opgelegd voor overtredingen van de Wet dieren bij het fokken van honden. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 29 maart 2024 heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 4.500,- voor drie overtredingen. Met het bestreden besluit van 29 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard, erkend dat één overtreding niet is begaan en voor de andere twee overtredingen de boete vastgesteld op € 1.500,-.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van verweerder, [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), en [naam], van het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 18 januari 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport dat zij een onderzoek heeft ingesteld naar aanleiding van een melding van Dier en Recht dat opnieuw door eiseres een nest puppy’s zou zijn gefokt. De toezichthouder heeft met een toezichthoudend dierenarts op 16 november 2023 contact opgenomen met de vaste dierenarts van eiseres, Dierenartsenpraktijk Het Centrum te Pijnacker. Bij een bezoek aan de praktijk deelde dierenarts [naam] de toezichthouders mee dat zij in oktober 2023 twee Mopshondenpups van eiseres had voorzien van een puppyenting en paspoort. In het overhandigde patiëntendossier zagen de toezichthouders staan dat Mopshond [naam] (hierna: [hond A]) de moederhond van deze pups was. In de openbare database van de Raad van Beheer Dutch Dog Data zag de toezichthouder dat in 2023 stambomen waren afgegeven voor twee Mopshondenpups die op 29 augustus 2023 zijn geboren uit de ouderdieren [hond A] en [naam] (hierna: [hond B]). Op meerdere internetsites zag de toezichthouder dat eiseres als eigenaresse van [hond B] stond vermeld bij showuitslagen. Verder wordt in het rapport verwezen naar een eerdere inspectie door de toezichthouders bij eiseres op 7 juli 2023 waarbij vijf Mopshonden, waaronder [hond A], zijn gemeten en beoordeeld. Daarvan is door de toezichthoudend dierenarts een veterinaire verklaring opgesteld, die bij het rapport is gevoegd. In deze verklaring concludeert de toezichthouder uit de op 7 juli 2023 gedane metingen en beoordelingen dat vijf honden, waaronder [hond A], ongeschikt zijn voor de fok en dat meerdere uiterlijke kenmerken zo extreem zijn dat het fokken met deze honden het welzijn van zowel het ouderdier als de nakomelingen benadeelt. Voorts staat in het rapport beschreven dat de toezichthouder onderzoek heeft gedaan naar een advertentie op www.puppyplaats.nl waarop door eiseres puppy’s werden aangeboden. Het betrof een nest van zeven puppy’s, zijnde een kruising van een Mopshond en een Ratterrier. Uit informatie van Dierenartsketen Razijn bleek de toezichthouder dat op 20 november 2023 zeven puppy’s waren gechipt en dat het moederdier de naam [naam] (hierna: [hond C]) droeg. Volgens de toezichthouder is [hond C] tijdens een eerdere controle op 24 oktober 2019 gemeten en beoordeeld en volgens de toen opgemaakte veterinaire verklaring ook ongeschikt bevonden om mee te fokken.
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder in het primaire besluit vastgesteld dat eiseres met de honden [hond A], [hond B] en [hond C] drie keer het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld. Er werd niet zoveel mogelijk voorkomen dat uiterlijke kenmerken werden doorgegeven aan of konden ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hadden voor welzijn of gezondheid van de dieren.”
Volgens verweerder waren de genoemde drie honden niet geschikt om mee te fokken en heeft eiseres daarmee overtredingen begaan van artikel 3.4, eerste lid, en tweede lid, onder b, van het Besluit houders van dieren (Bhd).
Verweerder heeft in het primaire besluit voor deze feiten een boete opgelegd van € 1.500,- per feit, zijnde € 4.500,- in totaal. In het bestreden besluit heeft verweerder de boete voor hond [hond C] ingetrokken en voor de honden [hond A] en [hond B] de boete vastgesteld op in totaal € 1.500,- omdat sprake was van één fokactiviteit.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan?
4. Eiseres voert – kort weergegeven – aan dat zij geen overtreding heeft begaan. Zij doet er als hobbyfokker alles aan om te voorkomen dat uiterlijke kenmerken die schadelijke gevolgen hebben voor het welzijn of de gezondheid van pups worden doorgegeven aan nakomelingen. Verweerder hanteert bij de beoordeling van kortsnuitige honden onjuiste criteria. Met die criteria worden enkele hondenrassen geëlimineerd en veel andere rassen ontzien, wat maakt dat sprake is van rassendiscriminatie. Zo is één van de criteria de neusplooi en die is altijd bij een mopshond aanwezig, waardoor een mopshond nooit zal kunnen voldoen. Ten onrechte wordt nu iedere mopshond als verboden gezien, terwijl eiseres zich juist inspant om gezonde nakomelingen voort te brengen. Verweerder baseert zijn criteria op een rapport van de Universiteit Utrecht, maar dat is ondergeschikt aan het jarenlange onderzoek dat is uitgevoerd door Jane Ladlow, waarop de Cambridge Methode voor vaststelling van Brachycephalic Obstructive Airway Syndrome (BOAS) is gebaseerd.
[hond A] is meermaals volgens deze methode getest en met graad 0 beoordeeld en ook bij hondenshows wordt haar neus door de keurmeester beoordeeld met ‘big nostrils’. [1] De observaties van de toezichthoudend dierenarts zijn dus onjuist. Daarbij is het onderzoek door de toezichthouder ook niet op de juiste manier uitgevoerd. [hond A] kreeg een balpen voor haar neus gehouden waar zij aan wil ruiken maar niet bij kan, wat resulteert in een snuivend geluid en het opzetten van grote ogen. Verder is hond [hond B] niet door de NVWA beoordeeld, terwijl verweerder wel stelt dat ook daarmee niet mocht worden gefokt. Die conclusie is bovendien onjuist. Ook [hond B] is volgens de Cambridge methode getest en met Graad 0 beoordeeld. Daarnaast heeft de NVWA in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) persoonsgegevens van derden publiekelijk vrijgeven, aldus eiseres.
4.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Verweerder verwijt eiseres artikel 3.4, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder b, van het Bhd, te hebben overtreden. Daarin staat dat het verboden is om te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld, waarbij in ieder geval – voor zover mogelijk – wordt voorkomen dat uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren. Dit betreft een redelijk open norm en verweerder heeft deze voor brachycephale (kortsnuitige) honden ingevuld met het rapport ‘Fokken met kortsnuitige honden’ dat in opdracht van verweerder is opgesteld door een projectgroep van de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. In dit rapport staat dat oogafwijkingen (Brachycephalic Ocular Syndrome (BOS)) en aandoeningen van de luchtwegen (BOAS) gerelateerd zijn aan de afwijkende vorm van schedel en snuit bij brachycephale honden, en worden beschikbare wetenschappelijk onderbouwde meetmethoden besproken voor kwantificering van de risico’s voor het ontwikkelen van die aandoeningen. Deze meetmethoden zijn aan een veterinair specialistisch panel voorgelegd en daaruit zijn criteria voortgekomen op basis waarvan op artikel 3.4 van het Bhd kan worden gehandhaafd. Het betreft zes criteria: abnormaal ademgeluid, neusopening, relatieve neusverkorting, neusplooi, zichtbaarheid van het oogwit en ooglidreflex. Per criterium kan een hond groen, oranje of rood scoren. Als de conclusie is dat sprake is van een normoverschrijding dan betekent dit dat er aanwijzingen zijn voor een verhoogd risico op het ontwikkelen van BOS en/of BOAS en dat er niet met de hond mag worden gefokt. De rechtbank vindt de invulling van de norm van artikel 3.4 van het Bhd met deze zes criteria voldoende onderbouwd en niet onredelijk. [2]
4.2.
Ook kan de rechtbank verweerder volgen in het standpunt dat een BOAS test op basis van de Cambridge Methode niet toereikend is voor toetsing aan artikel 3.4 van het Bhd. Zoals door verweerder is toegelicht en ook uit de door eiseres overgelegde testformulieren blijkt, is deze test beperkt tot de beoordeling van afwijkende ademgeluiden. De criteria die verweerder hanteert zien ook op andere gezondheidsrisico’s die verband houden met extreme kortschedeligheid. Zo wordt ook gekeken naar oogafwijkingen en wordt met het meten van de relatieve neusverkorting (craniofaciale ratio) beoordeeld of de schedel voldoende ruimte biedt voor bescherming van de oogbollen, gebitselementen en de weke delen van het ademhalingsstelsel en de gehoorgangen. Daarmee omvatten de door verweerder gehanteerde criteria een bredere beoordeling en zijn dus beter geschikt om overerving van schadelijke kenmerken op nakomingen zo veel mogelijk te voorkomen dan de Cambridge BOAS test.
4.3.
Ook als handhaving op genoemde criteria zou betekenen dat met vrijwel alle ras-mopshonden niet meer mag worden gefokt – zoals eiseres stelt – vindt de rechtbank dit op zichzelf niet onevenredig. Voor zover er in juridische zin al sprake kan zijn van discriminatie ten aanzien van honden, merkt de rechtbank op dat niet ieder gemaakt onderscheid ongeoorloofd is, mits daarvoor een rechtvaardiging bestaat. Een rechtvaardiging kan in dit geval worden gevonden in de bescherming van het dierenwelzijn. Verweerder hanteert de criteria immers om schadelijke gevolgen voor het welzijn en de gezondheid van nakomelingen van kortsnuitige honden te voorkomen. Bovendien volgt uit het rapport van de Universiteit Utrecht dat is gekozen voor een overgangsfase waarin fokkers in enkele jaren de gelegenheid krijgen om middels fokselectie op te schuiven in de richting van de (minimale) norm en een risico-arme hondenpopulatie. Ter zitting is door de dierenartsen toegelicht dat al met één generatie een hond kan worden gefokt die aan de huidige criteria voldoet. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiseres al bij een controle in 2019 is gewezen op de door verweerder gehanteerde criteria voor het fokken met kortsnuitige honden.
4.4.
In het rapport van bevindingen is door twee toezichthouders vastgesteld dat in augustus 2023 twee mopshondenpups zijn geboren uit twee ouderdieren die in het bezit van eiseres waren. De moederhond van deze pups was [hond A], die bij een inspectie op 7 juli 2023 door een toezichthoudend dierenarts is beoordeeld. In een veterinaire verklaring schrijft deze toezichthouder dat zij een aantal honden van eiseres, waaronder [hond A], heeft beoordeeld op de genoemde zes criteria en hoe zij deze metingen heeft uitgevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat die beoordeling niet juist zou zijn uitgevoerd. Eiseres heeft benoemd dat de hond een balpen werd voorgehouden, maar de toezichthoudend dierenarts heeft ter zitting toegelicht dat dit is gedaan om een foto van de hond te kunnen maken en dat dit geen onderdeel uitmaakte van de beoordeling op de zes criteria. Ook in de door eiseres overgelegde BOAS-testformulieren en keuringsverslagen ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de door de toezichthoudend dierenarts gemaakte beoordeling, nu dit niet eenzelfde beoordeling betreft als die door toezichthoudend dierenartsen van de NVWA wordt uitgevoerd. Uit de veterinaire verklaring blijkt dat [hond A] op drie criteria rood en op één criterium oranje scoorde. Op basis van deze meetresultaten heeft de toezichthoudend dierenarts geconcludeerd dat [hond A] meerdere uiterlijke kenmerken had die zo extreem waren dat het fokken met deze hond het welzijn van zowel het ouderdier als de nakomelingen benadeelt. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiseres, door te fokken met moederhond [hond A] in strijd heeft gehandeld met artikel 3.4, eerste en tweede lid, onder b, van het Bhd.
4.5.
Vaderhond [hond B] is niet door een toezichthoudend dierenarts beoordeeld, zoals eiseres terecht stelt. Dit maakt het voorgaande echter niet anders nu eiseres reeds vanwege moederhond [hond A] een overtreding heeft begaan. Gelet op de meetresultaten mocht zij nimmer voor de fok worden ingezet, ongeacht het ras of de meetresultaten van de vaderhond. Ook het betoog van eiseres dat de NVWA in strijd met de AVG zou hebben gehandeld treft geen doel, nu dit geen betrekking heeft op de persoonsgegevens van eiseres maar van een andere hondeneigenaar en dit bovendien ziet op hond [hond C] waarvoor verweerder eiseres geen boete (meer) oplegt.
Hoogte en evenredigheid van de opgelegde boete
5. Eiseres voert aan dat zij niet bedrijfsmatig maar hobbymatig honden fokt [3] en dat verweerder daarom de boete had moeten halveren.
5.1.
De rechtbank overweegt dat de wetgever reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren [4] is de boete voor overtreding van artikel 3.4 van het Bhd vastgesteld op € 1.500,-. Op grond van art. 2.4 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren overtreding wordt het boetebedrag gehalveerd als de overtreding anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf is begaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht daarvoor geen aanleiding gezien. Uit de databank van de Raad van Beheer blijkt dat eiseres de afgelopen jaren regelmatig en in zekere omvang met honden heeft gefokt. Van 2019 tot en met 2023 betrof het 60 pups uit 14 nestjes. Daarnaast heeft eiseres een eigen website waarop vermeld staat dat bij interesse in een pup contact kan worden opgenomen. Verweerder heeft dan ook terecht aangenomen dat sprake is van bedrijfsmatig handelen. Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die dit ontkrachten. Zij heeft verwezen naar een uitspraak over een aan haar opgelegde last onder dwangsom, maar daarin ging het om een ander toetsingskader en het betrof bovendien een andere periode. Verder heeft eiseres geen andere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan verweerder de boete had moeten. Ook de rechtbank is daarvan niet gebleken. De rechtbank vindt de opgelegde boete van € 1.500,- evenredig.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is dus ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet dieren

Artikel 8.6, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:
overtreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens:
1°. de artikelen 2.2, negende en tiende lid, 2.3, derde en vierde lid, 2.4, eerste, tweede en derde lid, 2.5, eerste en tweede lid, 2.6, eerste, tweede en derde lid,
[…];
overtreder: degene die de overtreding pleegt of mede pleegt.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Besluit houders van dieren

Artikel 3.4, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder b

Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld.
In ieder geval wordt bij het fokken, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk voorkomen dat:
b. uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren;

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 2.2, eerste en onder b

1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
b. categorie 2: € 1500;
Artikel 2.4
Indien een overtreding is begaan anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt het voor die overtreding op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 op te leggen boetebedrag gehalveerd.

Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 1.2
De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
Besluit houders van dieren Categorie
Artikel 3.4 2

Voetnoten

1.Eiseres verwijst naar de in beroep overgelegde BOAS-testformulieren en keurverslagen
2.Met ingang van 24 augustus 2023 heeft verweerder deze criteria ook opgenomen in de ‘Beleidsregel brachycephale honden’, maar deze beleidsregel gold nog niet ten tijde van de constatering
3.Eiseres verwijst daarbij naar ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6376
4.Gelezen in samenhang met artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren