Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5021

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/2020, 26/2044 en 26/2746
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2.1 WmoAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voor eenpersoonskamer maatschappelijke opvang

Verzoeker, zonder vaste woon- of verblijfplaats, is toegelaten tot maatschappelijke opvang maar wenst verblijf in een eenpersoonskamer vanwege medische en privacyredenen. Hij slaapt momenteel in zijn auto, een eigen keuze. Het college verleende toegang tot opvang met een tweepersoonskamer, waarbij verzoeker overdag alleen is en 's avonds een kamergenoot heeft.

Verzoeker diende meerdere verzoeken in: twee voorlopige voorzieningen en een proceskostenveroordeling na intrekking van een verzoek. De voorzieningenrechter oordeelt dat de e-mail van het college geen besluit is en dat het beroep wegens het uitblijven van een beslissing niet-ontvankelijk is omdat verzoeker geen ingebrekestelling stuurde.

De medische onderbouwing voor een eenpersoonskamer is onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. Verzoeker kan de beslissing op bezwaar afwachten. De verzoeken worden daarom afgewezen en het college hoeft geen eenpersoonskamer te verstrekken. Ook is geen proceskostenveroordeling toegewezen.

Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening en proceskostenveroordeling worden afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en niet-ontvankelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/2020, 26/2044 en 26/2746

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2026 in de zaken tussen

[verzoeker], uit zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Moghni),
en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen

(gemachtigde: mr. K. Belkadi).

Samenvatting

Verzoeker heeft twee verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend en een verzoek om een proceskostenveroordeling na intrekking van een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker is toegelaten tot de maatschappelijke opvang, maar wil daar verblijven in een eenpersoonskamer. Het is de eigen keuze van verzoeker om op dit moment in zijn auto te slapen. De wens van verzoeker om in een eenpersoonskamer te verblijven, levert niet een zodanige spoedeisende situatie op, dat hij de beslissing op bezwaar niet zou kunnen afwachten. De drie verzoeken worden (om verschillende redenen) afgewezen.

Procesverloop

1. Met het besluit van 17 november 2025 heeft het college verzoeker toegang verleend tot de maatschappelijke opvang voor de duur van maximaal 17 weken. Verzoeker heeft hier geen gebruik van gemaakt. Het besluit is niet ingetrokken en heeft daarom zijn werking niet verloren. Dit heeft het college ter zitting ook bevestigd.
2. Verzoeker heeft op 5 februari 2026 een aanvraag ingediend voor een eenpersoonskamer in de maatschappelijke opvang [1] . Het college heeft verzoeker op 3 maart 2026 een e-mail gestuurd waarin staat dat verzoeker gebruik kan maken van een tweepersoonskamer bij De Elementen, waarbij hij overdag alleen in de kamer verblijft en in de avond de kamer moet delen met een andere bewoner. Verzoeker heeft op 4 maart 2026 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag. Daarnaast heeft hij bezwaar gemaakt tegen de e-mail van het college. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen vanwege het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag (ROT 26/2020) en op zijn bezwaar tegen de e-mail van 3 maart 2026 (ROT 26/2044).
3. Met het besluit van 19 maart 2026 heeft het college verzoekers aanvraag van 5 februari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (ROT 26/2746).
4. Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
5. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. O.C. Bozbiyik als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, [naam] als tolk en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Zaak ROT 26/2020 (niet tijdig beslissen op de aanvraag van 5 februari 2026)
6. Verzoeker heeft tijdens de zitting het verzoek ingetrokken met daarbij het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.
7. Verzoeker heeft bij zijn aanvraag op 5 februari 2026 aan het college gevraagd om binnen een week te beslissen op zijn aanvraag. Als het college niet binnen een week beslist, zal verzoeker zonder ingebrekestelling beroep instellen en een voorlopige voorziening indienen. Verzoeker heeft op 4 maart 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit en het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
8. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
9. Los van de vraag of op 4 maart 2026 de redelijke beslistermijn was verstreken, stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker geen ingebrekestelling naar het college heeft gestuurd. Als er geen ingebrekestelling wordt verstuurd, zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het (aan dit beroep connexe) verzoek om een voorlopige voorziening bestaat dan ook geen aanleiding.
Zaak ROT 26/2044 (e-mail van 3 maart 2026)
10. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een e-mail van 3 maart 2026 waarin staat dat hij zich kan melden bij De Elementen voor toegang tot een tweepersoonskamer. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de e-mail geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Met het besluit van 17 november 2025 is aan verzoeker maatschappelijke opvang verleend. Met de e-mail van 3 maart 2026 is geen nieuw rechtsgevolg ingetreden. Het gaat slechts om een informatieve mededeling dat verzoeker zich (nog steeds) kan melden bij De Elementen. De voorzieningenrechter verwacht daarom dat het college het bezwaarschrift tegen deze e-mail niet-ontvankelijk zal verklaren. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Zaak ROT 26/2746 (besluit van 19 maart 2026 – afwijzing aanvraag)
11. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
12. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang in een eenpersoonskamer. Hij heeft drie medische verklaringen overgelegd, waaruit blijkt dat hij zijn neus meerdere keren per dag moet spoelen met een zoutoplossing in verband met chemotherapie. Om hygiënische en privacy redenen wil verzoeker dat alleen kunnen doen. Daarnaast heeft verzoeker tijdens de zitting verklaard dat hij eerder in de winteropvang heeft verbleven, dat hij overdag niet in de opvang kan verblijven, dat het onrustig is in de opvang en dat hij ’s nachts geen kamergenoot wil hebben omdat hij in alle rust wil slapen. Verzoeker slaapt hij nu in zijn auto, omdat hij daar wel rust heeft, maar hij heeft inmiddels last van zijn rug. Verzoeker wil met spoed verblijven in een eenpersoonskamer.
13. Verzoeker is met het besluit van 17 november 2025 toegelaten tot de maatschappelijke opvang en had daarbij de mogelijkheid om in een tweepersoonskamer te verblijven. Deze opvang is niet vergelijkbaar met de winteropvang zoals verzoeker die eerder heeft ervaren. Uit de e-mail van het college van 3 maart 2026 blijkt immers dat verzoeker overdag op zijn kamer mag verblijven en dat hij dan alleen kan zijn; alleen in de avond heeft hij een kamergenoot. De voorzieningenrechter ziet geen medische onderbouwing dat verzoeker vanwege zijn nachtrust in een eenpersoonskamer zou moeten verblijven.
Verzoeker heeft op dit moment dus opvang, maar kiest er zelf voor om in zijn auto te slapen. De wens van verzoeker om in een eenpersoonskamer te verblijven, levert niet een zodanige spoedeisende situatie op, dat hij de beslissing op bezwaar niet zou kunnen afwachten. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, omdat het spoedeisend belang ontbreekt.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent onder meer dat het college verzoeker geen toegang hoeft te verlenen tot een eenpersoonskamer. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst in de zaak 26/2020 het verzoek om een proceskostenveroordeling af;
- wijst in de zaken 26/2044 en 26/2746 de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo)