2.1.Onderhoudsbijdragen
2.1.1.De man verzoekt te bepalen dat de vrouw moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: de kinderbijdrage) met een bedrag van € 706,- per maand voor de drie minderjarigen samen, net als dat de vrouw moet bijdragen in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna: de partnerbijdrage) met een bedrag van € 2.049,- per maand. Het verzoek van de man is onder de voorwaarde dat de rechtbank tot het oordeel komt dat partijen niet meer samen in de echtelijke woning kunnen blijven wonen.
2.1.2.De vrouw voert gemotiveerd verweer.
2.1.3.De rechtbank heeft bij beschikking van 6 november 2025 bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de man.
2.1.4.Doorgaans wordt kinderalimentatie betaald aan de ouder bij wie het kind de hoofdverblijfplaats heeft of aan wie het kind is toevertrouwd. In dit geval zijn de minderjarigen toevertrouwd aan de vrouw. Uitgangspunt daarbij is dat de vrouw alle verblijfsoverstijgende kosten en de verblijfskosten van de kinderen bij haar betaalt en dat de man de kosten die samenhangen met het verblijf bij hem (de zogenoemde zorgkosten) voor zijn rekening neemt. Deze zorgkosten worden bij de berekening van kinderalimentatie afgeleid van de behoefte van het kind, welke behoefte weer is afgeleid van de welstand waarin partijen eerder als gezin leefden. Het is niet uitgesloten dat de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft een bijdrage in de zorgkosten aan de andere ouder moet betalen.
2.1.5.Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinder- en partnerbijdrage moeten worden vastgesteld. Om praktische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen. Het verzoekschrift is op 11 oktober 2025 bij de rechtbank ingediend, zodat de vrouw vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een eventuele vaststelling van de kinder- en partnerbijdrage. De rechtbank zal daarom deze datum als ingangsdatum aanhouden.
De behoefte van de minderjarigen
2.1.6.De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Partijen hebben tot 2025 in gezinsverband samengeleefd, zodat zal worden uitgegaan van de inkomensgegevens over het jaar 2025. De rechtbank zal verder aansluiten bij het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
2.1.7.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over het jaar 2025 op € 2.084,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 2.016,- per maand
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
2.1.8.De man heeft geen inkomen en ontvangt geen bijstandsuitkering.
2.1.9.De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op
€ 2.084,- per maand. Rekening houdend met het kindgebonden budget dat partijen ontvingen van € 686,- per maand wordt uitgekomen op (afgerond) een totaalbedrag van
€ 2.770,- per maand.
2.1.10.Het hiervoor genoemde totaalbedrag levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 586,- per maand.
2.1.11.Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van ieders draagkracht.
2.1.12.Hiervoor moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen worden vastgesteld. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-2.
2.1.13.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2025 op € 3.146,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 2.016,- per maand
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
2.1.14.Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 969,- per maand waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
2.1.15.De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 624,- per maand.
2.1.16.De man heeft geen inkomen. Zijn draagkracht wordt daarom aan de hand van de draagkrachttabel behorende bij het rapport vastgesteld op het minimumbedrag van € 50,- per maand.
2.1.17.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte ofwel:
het deel van de man bedraagt: € 50 / € 674 x € 586 = € 43
het deel van de vrouw bedraagt: € 624 / € 674 x € 586 = € 543 +
samen € 586
Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 43,- per maand ofwel € 14,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 543,- per maand ofwel € 181,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.
2.1.18.Gezien de geldende zorgregeling gaat de rechtbank ervan uit dat de man gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor de minderjarigen. Hierbij hoort een zorgkorting van 35%.
2.1.19.Omdat de behoefte van de minderjarigen € 586,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 205,- per maand.
2.1.20.De bijdrage van de vrouw in de zorgkosten van de man beperkt zich tot de hoogte van de zorgkorting. De zorgkosten van de man zijn gelijk aan het bedrag van de zorgkorting van € 205,- per maand. Deze kosten zijn hoger dan het aandeel dat de man in de kosten van de minderjarigen moet dragen. Zonder correctie zou de man met een hoger bedrag bijdragen dan waartoe hij op basis van de draagkrachtvergelijking is gehouden, namelijk € 205,- in plaats van € 43,-. Ook zou de vrouw zonder correctie met een lager bedrag bijdragen dan waartoe zij op basis van de draagkrachtvergelijking is gehouden, namelijk € 381,- in plaats van € 543,-. De zorgkosten die de man maakt leveren voor de vrouw een besparing in de zorgkosten op die zij voor de minderjarigen moet maken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een bijdrage ten laste van de vrouw vast te stellen van (€ 205 – € 43 =)
€ 162,- per maand, waardoor partijen beiden conform de draagkrachtvergelijking bijdragen in de kosten van de minderjarigen.
2.1.21.Gezien het voorgaande is een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 162,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
2.1.22.Omdat de onderhoudsbijdrage met ingang van 11 oktober 2025 wordt vastgesteld, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering.
2.1.23.De vrouw betwist de hoogte van de door de man gestelde behoefte.
2.1.24.Voor de behoefte van de onderhoudsgerechtigde is medebepalend de welstand waarin partijen tijdens het huwelijk hebben geleefd. Verder zijn alle relevante omstandigheden van belang waaronder het inkomsten- en uitgavenpatroon tijdens de laatste jaren van het huwelijk. Aan de hand daarvan kan het inkomensniveau worden bepaald waarop de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid aanspraak kan maken. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens over de reële of met zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud worden bepaald.
Het voorgaande komt er op neer dat bepaling van de behoefte aan partneralimentatie maatwerk is, maar daarvoor is in deze voorlopige voorzieningen procedure gelet op de aard daarvan geen plaats. De netto behoefte van de man zal dan ook worden berekend aan de hand van de zogenoemde hofnorm, een vuistregel die ervan uitgaat dat het besteedbare gezinsinkomen, na aftrek van de kosten van kinderen, beschikbaar was voor de kosten van levensonderhoud van beide partijen. Omdat een alleenstaande duurder uit is dan een samenwoner wordt de helft van het te verdelen inkomen met 20% verhoogd. De behoefte kan dan gelijkgesteld worden aan 60% van het netto gezinsinkomen.
2.1.25.Tijdens het huwelijk hadden partijen de beschikking over een besteedbaar gezinsinkomen van € 2.084,- netto per maand, te vermeerderen met het kindgebonden budget van € 686,- per maand. Het netto gezinsinkomen bedroeg dus in totaal € 2.770,- per maand. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de minderjarigen van
€ 586,- per maand. De netto behoefte van de man bedraagt 60% van dit bedrag, dat is
€ 1.310,-.
2.1.26.De vrouw betwist dat zij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen.
2.1.27.De rechtbank zal de draagkracht van de vrouw berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport.
2.1.28.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2025 op € 2.177,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 2.016,- per maand
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
2.1.29.De draagkracht van de vrouw wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)] en bedraagt € 128,- per maand.
2.1.30.Uit het voorgaande volgt dat het draagkrachtloos inkomen van de vrouw in totaal
€ 1.963,- per maand bedraagt zodat een draagkrachtruimte van € 214,- per maand resteert
(waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening). Van deze draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de partnerbijdrage, dat is € 128,- per maand.
2.1.31.Het beschikbare bedrag wordt echter verminderd met de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van de minderjarigen van € 162,- per maand, zodat er geen bedrag resteert voor de partnerbijdrage. Het verzoek van de man om een partnerbijdrage zal dan ook worden afgewezen.